De mening van pleegouders

Het pleegkind wordt omgeven door verschillende volwassenen die ondersteuning bieden. Vooral als er sprake is van gedwongen hulpverlening (ondertoezichtstelling of een voogdijmaatregel). De visie over wat het beste is voor het pleegkind kan dan ook gemakkelijk uiteenlopen. Het belang van het kind is geen toverformule, maar moet concreet gemaakt worden. Is het bijvoorbeeld in het belang van het pleegkind dat het weer thuis wordt geplaatst? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet? Welke omgangsregeling doet het meest recht aan het pleegkind?

Pleegouders vormen een belangrijke bron van informatie als het gaat om de ontwikkeling van het pleegkind. Zij zorgen immers dag en nacht voor het kind. Maar ook hun visie op beslissingen als omgang en de verblijfplaats moet gedegen worden meegewogen in de besluitvorming door de betrokken hulpverleners.

Dit gebeurt in de praktijk helaas nog altijd onvoldoende. Met het wetsvoorstel verbetering (rechts)-positie pleegouders (32 529) wordt beoogd hierin verbetering te brengen.

Meningen wegen
De visie van de pleegouders betrekken in de besluitvorming betekent niet dat de mening van de pleegouders bepalend is. Wel moet duidelijk uit de besluitvorming blijken hoe de mening van de pleegouders is meegewogen en welke afwegingen er zijn gemaakt. De besluiten van Bureau Jeugdzorg en de zorgaanbieder pleegzorg moeten goed (deugdelijk) gemotiveerd zijn, er moet een (evenredige) belangenafweging hebben plaatsgevonden, het besluit moet proportioneel zijn (in verhouding zijn met het doel dat wordt beoogd), er moet op zorgvuldige wijze informatie zijn vergaard en de betrokkenen moeten vooraf worden gehoord. Dit laatste betekent dat uit de besluitvorming dus moet blijken hoe de betrokken meningen zijn ‘gewogen’.

Lastig
Helaas komt het in de praktijk nogal eens voor dat bij een afwijkende mening van de pleegouders zij door Bureau Jeugdzorg en/of de zorgaanbieder pleegzorg als lastig worden ervaren. Soms ontstaat daarbij zelfs een andere (negatieve) beeldvorming over de pleegouders, namelijk dat zij louter hun eigen belangen zouden behartigen in plaats van de belangen van het pleegkind. Een beeldvorming die, zo blijkt uit de praktijk, moeilijk te weerleggen is. Niet zelden wordt bij uiteenlopende visies tussen de pleegouders en de hulpverlener(s) de plaatsing van het pleegkind ter discussie gesteld. Terwijl verschil in visie op zichzelf geen reden tot beëindiging van de plaatsing zou mogen zijn. Zo overwoog de kinderrechter te Utrecht hierover reeds in 2006 (LJN AV0027) dat: “van de WSJ (hier: de gezinsvoogdijinstelling) en de Voorziening voor pleegzorg mag worden verwacht dat zij in staat zijn oplossingen aan te reiken zonder de plaatsing ter discussie te stellen.”

Overplaatsingen beperken
Bovendien blijkt uit de huidige wetenschappelijke inzichten dat (simpel gezegd) iedere overplaatsing van het pleegkind er één te veel is. Dan wel, het aantal wijzigingen in de verblijfplaats moet, gezien de schadelijke gevolgen voor de ontwikkeling van het pleegkind, zoveel mogelijk worden beperkt. Er mag dan ook niet lichtvaardig worden gedacht en overgegaan tot een overplaatsing dan wel beëindiging van de pleeggezinplaatsing. Dit blijkt ook uit het wetsvoorstel herziening kinderbescherming (32 015) dat voorstelt om iedere overplaatsing van het pleegkind dat langer dan een jaar in het pleeggezin verblijft, door de kinderrechter te laten toetsen.

 


Tags: ,