Over de grens

Grenzen, een immer relevant thema binnen pleegzorg. Pleegouders worden in de Stapcursus al bevraagd over hun grenzen: wat kan wel bij jullie in huis en wat vind je niet acceptabel? Als er dan een kind wordt geplaatst, komen zij zelf in hoog tempo allerlei grenzen tegen. Het gedrag van het kind vraagt om helder te zijn over de grenzen. Wat is de functie, het nut en de beperking van grenzen in de opvoeding en in pleegzorg?

Opvoeden
Kok (1) omschrijft opvoeden als een proces, een ontwikkelingsgang die deelnemers door de tijd samen maken. Het gaat dan niet alleen om verstandelijk onderbouwde activiteiten, maar als opvoeder breng je je hele mens-zijn mee. Je persoonlijke geschiedenis, je vitaliteit en je gevoelens spelen ongemerkt een rol in hoe je je als opvoeder presenteert. Door de manier waarop je in het leven staat, beïnvloed je doorlopend het opvoedproces. Opvoeden is het opvoedproces optimaliseren. Je probeert zo te handelen, dat kinderen de beste kansen krijgen voor hun ontwikkeling. Daarbij hoort onder andere: waarden presenteren, grenzen stellen, structuur aanbrengen en programmeren.

Waarden en normen
Mensen worden bewogen door waarden. Een opvoeder toont zijn waarden voor een belangrijk deel via mimiek en gedrag. Je leeft het voor. Soms ben je je er allang niet meer van bewust dat je waarden hebt opgepikt en je eigen hebt gemaakt. Hoewel niet meer bewust werken ze wel. Belangrijke waarden werden normen. Waarden en normen die in het opvoedproces functioneren, leiden tot het stellen van grenzen. Dat is pedagogisch, als het de ontwikkeling van de kinderen bevordert.

Grenzen
Een opvoeder begrenst geen kinderen, maar hun gedrag. Grenzen stellen is geen afwijzend gedrag of “de hele dag nee zeggen”, maar het is in het opvoedproces juist goed omgaan met relaties, het klimaat en de situatie. Grenzen stellen binnen de opvoeding, zegt Kok, is kansen schenken. Het kind zoekt voor zijn ontwikkeling de juiste weg. Om te achterhalen of het in de goede richting gaat, tast het links en rechts de mogelijkheden af. Het tast de grenzen af van de persoon en de situatie. Ondeugend gedrag van kinderen is eerlijk vragen om grenzen. Krijgt een kind geen of onduidelijke antwoorden, dan zal het steeds verder gaan, totdat het door weerstand de grenzen ontmoet waar het om vroeg.

In grenzen stellen wordt het wezen van de opvoeder weer duidelijk. Grenzen worden gesteld om voor het kind inzichtelijk te maken waar de begrenzingen liggen van de weg die zijn ontwikkeling gaat. Grenzen stellen is niet simpel en grenzen zijn niet voor iedere opvoeder en ieder kind gelijk. Het is een creatief omgaan met de situatie. Grenzen worden gesteld om de ontwikkeling te bevorderen, om kansen te schenken.

Het niet antwoord geven in het vragenspel om grenzen belemmert de ontwikkeling van een kind. Het is onverantwoordelijk. Het laat een kind in onzekerheid en nodigt uit tot steeds forsere grensoverschrijdingen. Het is ook niet pedagogisch om een kind, dat eigenlijk wel vermoedt dat het grenzen overtreedt, te laten zitten met een vaag schuldgevoel, omdat het iets verkeerd doet. Dit is voor pleegzorg natuurlijk een herkenbaar verschijnsel. Veel kinderen knappen enorm op als ze weten wat er van hen verwacht wordt, wat er wel en niet mag. Hun leven wordt daarmee een stuk overzichtelijker en dus veiliger.

Structuur

Hanteren van situaties, zoals hiervoor genoemd, kan verschillende vormen aannemen. Je kunt de aanwezige structuur afzwakken, maar het kan ook betekenen dat de structuur duidelijker en helderder wordt. Opvoeders doen iets aan de structuur van de situatie, omdat dat nodig is in het belang van de ontwikkeling van het kind. Voor het ene pleegkind is het goed om te weten dat het, als het ’s avonds in bed ligt en er is iets heel belangrijks, altijd nog even naar beneden kan komen. Dan kan het getroost worden en opnieuw veilig gaan slapen. Hier wordt de structuur afgezwakt. Voor het andere kind is het goed om te weten dat de poppenkast over is, als het eenmaal in bed ligt. Pleegmoeder komt straks nog een keer kijken of het al slaapt, maar nu is het tijd om in bed te blijven en te slapen. Ook dat kan veiligheid bieden. Hier is de structuur aangescherpt. Er zijn ook kinderen voor wie je op het ene moment de structuur aan moet scherpen, maar op het andere moment weer af moet zwakken.

Programmeren
Om samenleven mogelijk te maken heeft een gezin dag- en weekprogramma’s. Individuele leefritmen worden gestandaardiseerd in een rooster. Daarom worden afspraken gemaakt. Het is belangrijk dat er regelmatig gegeten wordt en het is dus goed dat iedereen weet hoe laat dit is. Het is echter noodzakelijk dat op individuele basis ook weer van deze regels afgeweken kan worden. Een sportende puber haalt de maaltijd niet altijd. Het zijn regels en is geen wet, zoals Kok benadrukt.

Programmeren gaat weer over in structuur, zodra inzicht in het hoe en waarom van het programmeren aan de orde is. Wie snapt waarom een dag zo geprogrammeerd is, heeft inzicht in de structuur. Men ziet de samenhang van relaties tussen personen, de wensen van die personen en de noodzaak om zaken in een schema te programmeren.

Voor pleegkinderen die in een ander gezin terechtkomen, zal de samenhang tussen de hierboven beschreven begrippen vaak lastig zijn. Het dagritme en hoe er mee omgegaan wordt, is nieuw, maar de onderliggende waarden, zoals “wij doen elkaar geen pijn” kunnen ook heel nieuw zijn. Pleegouders worden in de loop van de tijd vaak experts in het voorleven, uitleggen en hanteren van grenzen en scheppen daarmee veiligheid en ruimte voor hun pleegkinderen.

=====
Kader
=====

Hans is een jongen die op 9-jarige leeftijd in een pleeggezin komt. Hij heeft in een christelijk internaat gewoond en op zijn verzoek zoeken de pleegouders een christelijke school. In het gezin vinden ze dat hij wel erg veel vloekt en zijn pleegouders vragen hem regelmatig of hij andere woorden wil gebruiken, maar dat heeft weinig effect. Na verloop van tijd vraagt pleegmoeder aan hem of hij op school geen problemen heeft met dat vloeken, het is toch een christelijke school. Nee, op school heeft hij geen last. Daar doet hij het niet, want dan krijgt hij straf. Pleegmoeder kijkt hem aan en lacht: “Oh, dan moeten we jou ook maar straf gaan geven.” Waarop Hans beaamt dat dat het beste zal zijn en het probleem is vrijwel opgelost.

(1) J.F.W.Kok, Opvoeden als beroep, Uitgegeven 1992, H.Nelissen, Baarn.


Tags: , ,