Niet bang voor moeilijke keuzes

“Sommige voogden vinden het moeilijk om op een verjaardag te vertellen wat hun beroep is. Ik niet.” Remco de Rijk is teamleider bij Bureau Jeugdzorg in Den Haag én pleegvader. Ik praat met hem over het ‘gigantische imagoprobleem’ van Bureau Jeugdzorg en de mogelijke oplossing. “Als ik een reclamecampagne mocht bedenken, zouden deze drie woorden centraal staan: verantwoordelijkheid, communicatie en respect.”

Bureau Jeugdzorg heeft de verantwoordelijkheid over het (pleeg) kind, dus is het toch niet zo gek dat het daarop afgerekend wordt?
“Het feit dat veel mensen denken dat Bureau Jeugdzorg bepaalt wat er met een kind gebeurt, duidt op een gebrek aan kennis. De kinderrechter komt tot een oordeel na het horen van adviezen van verschillende partijen, waaronder Bureau Jeugdzorg. Als de rechter een OTS of voogdij toewijst aan Bureau Jeugdzorg, hebben wij de verantwoordelijkheid om de lijn te bepalen en invulling te geven aan de opdracht.”

Het beeld bestaat dat een voogd van Bureau Jeugdzorg ervoor kan zorgen dat een kind ergens uithuis wordt geplaatst.
“De kinderrechter bepaalt of een kind uithuis geplaatst mag worden. .Bureau Jeugdzorg is daarin de verzoekende partij. De woede mag in dat geval ook op ons gericht zijn, omdat wij soms keuzes maken die niets met vrijwilligheid te maken hebben. Het imagoprobleem is dus deels onvermijdelijk, omdat wij ingrijpen of ervoor kiezen dat niet te doen. Ik weet dat gezinsvoogden een ingewikkelde positie innemen: ze moeten naast de cliënt gaan staan, maar ook moeilijke beslissingen nemen. Toch zijn we niet bang om moeilijke keuzes te maken.”

Worden medewerkers wel genoeg voorbereid op de positie die ze moeten innemen als gezinsvoogd?
“Voogd zijn is een moeilijk beroep. Je moet alles weten en je begint vaak aan dit werk terwijl je nog niet alles weet. Natuurlijk krijgen nieuwe medewerkers uitgebreide trainingen, maar door ervaring leer je het meeste. Het is de kunst om ouders mee te krijgen, genoeg overtuigingskracht te hebben om uit te leggen dat het anders, beter kan voor het kind.”

Nu is het vaak zo dat door de gevolgen van pijnlijke beslissingen alle boze pijlen gericht zijn op Bureau Jeugdzorg. Pleegzorginstellingen blijven vaak buiten schot. Wat vindt u daarvan?
“Op zich is dat terecht, omdat wij de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van een uithuisplaatsing hebben. Wij hebben de pleegzorgwerkers hard nodig in ons werk, omdat zij vaak beter weten wat er in een gezin speelt. Ik vind wel dat ze soms achteroverleunen met een houding van: ‘Nemen jullie de beslissing maar’, terwijl zij ook een verantwoordelijkheid dragen als het gaat om screenen en begeleiden van pleegouders. Daarnaast vind ik dat pleegzorgwerkers er te vaak vanuit gaan dat pleegouders het wel redden, terwijl die uit idealisme soms niet weten waar ze aan begonnen zijn en veel meer ondersteuning nodig hebben.”

Bedoelt u dat pleegouders hun taak soms onderschatten?
“Ik vind van wel. Ze weten vaak van tevoren niet wie ze in huis halen, hoe beschadigd de kinderen zijn en hoe de hulpverlening daaromheen precies georganiseerd is. Ik heb als pleegvader de Stapcursus gedaan: van de tien gezinnen die ik op die cursus zag, gok ik dat acht het heel zwaar hebben gekregen doordat ze niet voldoende voorbereid waren. Mensen hebben een groot hart en denken vanuit hun ervaring te weten hoe ze andermans kind op moeten voeden. Maar zo eenvoudig is dat niet. Pleegouders zouden actiever om hulp of informatie moeten vragen. Pleegzorginstellingen moeten veel meer investeren in inhoudelijke begeleiding en Bureau Jeugdzorg moet hen daarin aansturen.

Is de werkdruk zo hoog?
“De caseload is een aantal jaar geleden gedaald, dus dat valt wel mee. De verantwoordelijkheid voelt wel als een grote druk. Bovendien hebben we een hoog verloop van gezinsvoogden. Een groot probleem is de bureaucratie: 70 procent papierwerk en 30 procent praktijk. Natuurlijk vraagt de inspectie om rapportages, maar we doen veel meer dan nodig is. We hebben elkaar gek gemaakt met rapporteren, elk telefoontje dat niet wordt opgenomen moet worden vastgelegd. Dit gevoel overheerst: als ik niet overdreven waarborg dat ik mijn werk doe, word ik daarop gepakt.”

Dat klinkt bijna als een angstcultuur.
“Nee, maar gezinsvoogden liggen onder vuur en dat creëert angst. Het verwijt van anderen dat we zoveel kantoorwerk doen is terecht, maar die houding van alles af willen timmeren komt voort uit angst voor een nog groter verwijt als er iets vreselijk mis gaat: Jullie hebben het niet opgeschreven.”

Angst en een grote werkdruk van binnen en veel boosheid van buiten: hoe moet Bureau Jeugdzorg met deze zaken omgaan?
“Op moeilijke momenten kun je drie dingen doen: vluchten, bevriezen of vechten. Wij zijn vooral vechters, maar niet via de media. Als er weer een cliënt naar buiten komt met een negatief verhaal, geeft Bureau Jeugdzorg daar nooit inhoudelijk commentaar op, ter bescherming van het kind. Het probleem is dat negatieve verhalen langer rond blijven gaan dan positieve, terwijl er veel meer positieve dan negatieve verhalen zijn.”

Hoe zou je willen vechten?
“Door kwaliteit te leveren en transparant te werken. Uitleggen wat je doet en waarom je het doet. Goed communiceren. We moeten ons ook realiseren dat we het nooit voor iedereen goed zullen doen, daarvoor zijn de beslissingen soms te ingrijpend. We mogen trots zijn op wat we doen, wij maken het verschil voor kinderen. We praten hier over de levens van kinderen en onze pogingen om ervoor te zorgen dat die levens de moeite waard zijn. Dat is een enorme uitdaging.”

Inhoudelijk gezien moet een voogd volgens mij distantie bewaren en een realist zijn, maar dit klinkt toch behoorlijk idealistisch.
“Er werken heel veel idealisten bij Bureau Jeugdzorg. De voogden komen misschien soms kil of afstandelijk over door de beslissingen die ze moeten nemen, maar ik merk binnen mijn teams dat ze dat niet zijn. De rol van de gezinsvoogd is de laatste jaren ook veranderd: vroeger kon de gezinsvoogd oude stijl, de ‘geitenwollen sok’, een eindje gaan fietsen en met het kind een ijsje gaan eten. Nu is hij veel meer een spin in het web geworden. Ons doel is om concrete plannen te maken, de nodige hulp in te zetten, goed te rapporteren om zo snel mogelijk ons ideaalbeeld te bereiken: een goed functionerend gezinssysteem waar de voogd zich overbodig heeft gemaakt.”

Remco de Rijk spreekt in dit interview op persoonlijke titel en vertegenwoordigt niet de mening van Bureau Jeugdzorg.

 


Tags: ,