Family live

Iedereen die met het kind in een zodanige persoonlijke betrekking staat of heeft gestaan dat gesproken kan worden van family life, in de zin van artikel 8 van het Euro¬pees Verdrag voor de Rechten van de Mens, kan zich op dit recht beroepen(1). Het recht op family life wordt namelijk beschermd.

Family life kan bestaan omdat er sprake is van een bloedband, een juridische band, verzorging van het kind (verzorgingstermijn) of een combinatie van deze. Family life kan bestaan tussen de ‘ouders’ en het kind: biologische ouders, juridische ouders of pleegouders, maar ook met anderen, zoals grootouders, (stief)broers en (stief)zussen. Het maakt bij het begrip family life dus niet uit of de band met het kind is gebaseerd op biologisch en/of juridisch ouderschap of op een andere relatie. De vraag of er sprake is van family life is afhankelijk van het geval, de feitelijke situatie.

In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat er bij pleegouders sprake moet zijn van een verzorging voor langere termijn om te kunnen spreken van family life. Het bestaan van family life wordt in elk geval aangenomen als het kind minimaal een jaar in het pleeggezin woont. Terwijl bijvoorbeeld de biologische moeder automatisch, los van de verzorgingstermijn, family life heeft met het kind. Dus ook als de biologische moeder nooit voor haar kind heeft gezorgd, is er sprake van family life tussen de moeder en het kind.

Zoals reeds gesteld, wordt het family life wettelijk beschermd. Er mag niet zomaar inbreuk worden gemaakt op het family life. Een inbreuk op het family life moet gerechtvaardigd zijn. Het maakt daarbij in principe niet uit of het kind door degene met wie het family life heeft nog wordt verzorgd of niet(2). Het is zelfs niet altijd noodzakelijk dat degene die met het kind family life heeft, het kind zelf heeft verzorgd, zoals de biologische moeder (zie voorgaande)(3).

Botsend family life
Voor ‘lopende’ pleeggezinplaatsingen geldt dat de pleegouders zich kunnen beroepen op het recht op family life in geval van een dreigende overplaatsing. Eveneens geldt dit voor de biologische ouder(s) die juist wenst (wensen) dat het pleegkind weer thuis komt wonen. Er is dan sprake van botsende rechten, botsend family life.

In zo’n geval maakt de rechter een afweging van de beide rechten en zijn de individuele feiten en omstandigheden bepalend welk family life prevaleert, het family life van de ouders met het kind of het family life van de pleegouders met het kind. Het belang van het kind vormt daarbij voor de rechter de eerste overweging.

(1) Of een beroep op family life gerechtvaardigd is, bepaalt uiteraard (uiteindelijk) de rechter.

(2) Zo kunnen pleegouders die een jaar of langer voor het pleegkind hebben gezorgd zich beroepen op family life als zij een omgangsregeling wensen (in geval van een beëindigde plaatsing).

(3) De biologische moeder die nooit voor haar kind heeft gezorgd kan zich eveneens beroepen op family life als zij bijvoorbeeld een omgangsregeling wenst of als zij zelf voor het kind wil gaan zorgen.

Mariska Kramer is werkzaam op de juridische afdeling van het Leger des Heils Jeugdzorg & Reclassering en werkt als zelfstandig advocaat in Amsterdam aan de Middenweg 57a (e-mail: info@kantoorkramer.nl)

 


Tags: ,