Pleegkind: Levenslang (on)voorwaardelijk

De weg naar volwassenheid is voor mij als pleegkind vol innerlijke confrontaties. Voor Mobiel, maar misschien het meest voor mijzelf, ga ik op zoek naar andere volwassen pleegkinderen met de vraag: ‘Wat ervaar jij nu nog van je bijzondere jeugd?’ Hiervoor praat ik afzonderlijk met Adrienne (36) en Monique (30), twee volwassen pleegkinderen, allebei iets ouder dan ik en allebei al moeder.

Amerikaans onderzoek toont aan dat de meerderheid van pleegkinderen als volwassene geconfronteerd wordt met enorme uitdagingen. Zo missen zij vaak (financieel) ondersteunende volwassenen, die hun kans op een toekomst als productieve, zelfvoorzienende volwassene significant verhogen en hebben zij een kleinere kans op het behalen van een middelbare schooldiploma.NOOT1 Daarnaast hebben zij een grotere kans op ongewenste zwangerschappen, om dakloos te worden, verslaafd te raken en een verhoogde kans om het criminele pad op te gaan.NOOT2 Ook blijkt dat jongeren die niet thuis opgroeiden, vaak te kampen hebben met emotionele ontwikkelingsachterstanden.NOOT3 Veel meer dan snoep heb ik zelf gelukkig nooit gestolen en ook zie ik mijzelf niet dakloos worden in de toekomst. Toch is de stap naar het volwassen worden voor mij een confronterend moment, om de reden die gezondheidszorgpsycholoog Anneke Vinke als volgt weet te verwoorden: “Je verliest de titel van pleegkind: de titel waarop je (officieel) bij het pleeggezin hoorde.”

Volwassen Halfwassen
Als eerste ontmoet ik Adrienne, bij haar thuis in Vlaardingen. Zij, moeder van Eveline en Dominique (8 en 10), werd direct na haar geboorte naar een kindertehuis in Rotterdam gebracht, waarna ze tot haar eenentwintigste bij een pleeggezin woonde. Adrienne omschrijft dit als een ‘goed, maar druk gezin’, waarin crisisopvang plaatsvond en eigen kinderen, een stiefzoon en nog andere pleegkinderen werden opgevoed. “Ik had het gevoel meer moeite te moeten doen om erbij te horen. Ik was bang om uithuis gezet te worden en durfde niet te puberen.” Op mijn vraag hoe het is om je titel van pleegkind te verliezen, antwoordt zij bijna lachend: “Op mijn achttiende was ik bij lange na niet volwassen. Ik wilde het allemaal goed doen en had het gevoel dat ik mij moest bewijzen, vooral naar mezelf. Ik zou het zelf oplossen en het liefst wilde ik onafhankelijk zijn, want als ik niemand nodig had, zou ook niemand mij meer pijn kunnen doen.” Adrienne trouwde en kreeg kinderen. “In essentie was ik bang om een gezin te starten: de angst om net als mijn eigen moeder te falen.”

Ik deel deze ongerustheid met Adrienne. Ik vraag mij af of ik ‘vanzelf’ moeder kan zijn, want van praktijkervaring moet ik het niet hebben. Of is er een gen voor het vinden van slabberdoekjes en het zingen van slaapliedjes? Als dat gen bestaat, ben ik dan niet erfelijk belast? De angst van Adrienne voor het moederschap nam pas af na de geboorte van haar eerste dochter. “Maar doordat ik letterlijk in mijn armen kon zien welke ontwikkeling mijn dochter in enkele maanden doormaakte, maakte de angst plaats voor verdriet over mijn gemis van een normale jeugd.” Op het moment dat haar jongste dochter vanwege een autistische stoornis extra zorg nodig heeft, wordt Adrienne geconfronteerd met haar bewijsdrang. “Ik had zo graag een normaal gezin willen zijn”, bekent ze. “Mijn pleegmoeder was in staat geweest om dit zelfstandig te doen en ik droeg de zorg juist over. Dit voelde als falen en het falen toegeven durfde ik niet. Zo loog ik als ik zei dat Eveline van de behandelaars in de kliniek moest blijven. Terwijl wij als ouders daarom vroegen, omdat wij het thuis niet aankonden.” Toch bracht het moederschap haar ook veel goeds. Ze begon de lastige keuze van haar eigen moeder, die haar kinderen afstond, beter te begrijpen. “Ook verplichtte Eveline mij om mijn grenzen aan te geven. Waardoor ik nu, eindelijk, hulp leer te accepteren en me begin af te vragen wat ik eigenlijk zelf leuk vind.”

Moedeloos Moederloos
“Ik dacht altijd aan anderen, voordat ik aan mezelf dacht”, vertelt Monique. Ik zit op de bank bij de moeder van een 1,5-jarige dochter, die tevens nieuwe pleegouders werft voor de Stadsregio Rotterdam. Monique beschrijft hoe ze op haar tweede uithuis werd geplaatst, waarna ze in diverse kindertehuizen woonde. In het pleeggezin waar Monique daarna opgroeide, schoven in de loop van de tijd nog dertig verschillende kinderen bij het avondeten aan. “In dit nieuwe pleeggezin was vooral aandacht voor wat wel werkte en gedaan moest worden. Niet zozeer voor wat er fout was gegaan.” Liefde was bij haar thuis een werkwoord. Waar Monique haar opvoeding als ‘nuchter’ omschrijft, was het voor Adrienne vooral een ‘praktische’. Praktisch in de zin van boodschappen, verjaardagsfeestje, huiswerkhulp en verhaaltjes. Zonder boodschappen geen eten en zonder verhaaltjes geen slaap, maar praktisch is niet alles. Als je alleen met praktisch een moeder kon zijn, zou er geen verschil zijn tussen de oppas en je eigen ouders. “Ik had het gevoel er nooit helemaal bij te horen”, aldus Adrienne. Hoewel de pleegouders van Monique nergens in te kort schoten, voelde deze zorg niet vanzelfsprekend. Hoeveel mag je verwachten van pleegouders? Wanneer vraag je teveel? Misschien hebben wij als volwassen pleegkinderen het gevoel onze dosis hulp al ruimschoots ontvangen te hebben. Of zoals Adrienne het verwoordde: “Ik heb het gevoel dat ik meer dankbaar moet zijn.”

Tijdens het gesprek met Monique merk ik dat ze rekening wil houden met de mening en gevoelens van haar vrienden en pleegouders. “Zet dat er maar niet in”, zegt zij tijdens ons gesprek een aantal keer. Hoewel ik het antwoord al weet, vraag ik Monique waarom ze bang is om een mogelijke confrontatie aan te gaan. “Het is de angst om anderen te kwetsen. Zij kunnen mij daarop afrekenen en laten mij dan wellicht in de steek.” Ook Adrienne spreekt deze angst uit: “Ik ben nog steeds bang dat mijn man morgen weg kan zijn.” Ik praat over deze angst met GZ-psycholoog Anneke Vinke. “Onvoorwaardelijkheid is enorm belangrijk,” reageert zij. “De mens is een relationeel wezen. We willen ergens bij horen, onvoorwaardelijk, zonder dat je op je hoede moet zijn dat je het fout doet en daardoor weer (voor de zoveelste keer) mensen verliest.” Het benoemen van deze angst tijdens de gesprekken weerspiegelt de kern van mijn verdriet.

Gebruiksaanwijzing volwassen pleegkind: drie maal daags flink slikken
Ikzelf ben inmiddels 23, bijna 24, met mijn eigen huis, mijn eigen baan, mijn eigen inkomen en keuzevrijheid voor al die eigenheden. Desondanks heb ik nog steeds het gevoel dat ik ieder moment, als ik faal, weer afgezet kan worden bij het kindertehuis waar ik twintig jaar (!) geleden ben opgepikt. “Sorry, maar we willen haar toch niet: ze snurkt te hard, ze vergeet onze verjaardag en ze is soms chagrijnig.” Hoe kan ik geloven dat voorwaardelijk ouderschap (omdat mijn pleegouders toevallig aan mij gekoppeld werden) ooit overgaat in onvoorwaardelijk ouderschap (omdat zij van mij zijn gaan houden)? Want bij de dingen die je in huis haalt: een boek, een auto, brood, bloemen, heb je verwachtingen: dat het werkt, dat het mooi is, lekker, handig. Waarin verschil ik dan van een boek of een bos bloemen? Ben ik niet ook iets dat mooi staat op tafel? Of leuk is voor in de tuin? Waarom mag ik lastig zijn, lastige hamsters gaan toch de deur uit? Waarom mag ik fouten maken, een rekenmachine die niet kan rekenen wil toch niemand? Waar is de bon die klaar ligt, ergens in een laatje, voor als mijn pleegouders toch spijt krijgen? Wie zegt mij dat het enkeltje uit het kindertehuis geen retourtje is? Wellicht voel ik de zekerheid van onvoorwaardelijke liefde, net als Adrienne en Monique, bij het krijgen van een baby. Misschien krijg ik helemaal geen kinderen of blijft het gevoel dan uit. Wat ik in ieder geval verwacht, is dat ik net als andere volwassen pleegkinderen zal blijven zoeken naar de regels van natuurlijke liefde. Want hoewel ik nu officieel geen kind meer ben en de Wet op de Jeugdzorg niet meer op mij van toepassing is, ben ik nog steeds ‘pleeg’. Juist het besef dat deze worsteling bij mij hoort, dat mijn jeugd als pleegkind onderdeel is van mijn leven als volwassene, is wellicht na het verlies van mijn titel, mijn grootste aanwinst.

Naschrift

Anneke Vinke werkt als gezondheidszorgpsycholoog in een eigen praktijk, waar zij zich bezighoudt met diagnostiek, behandeling, onderzoek en training rond adoptie en pleegzorg. www.adoptiepraktijk.nl

=====
kader
=====

Oproep
Maya Lievegoed is nieuwsgierig naar de ervaringen van andere volwassen pleegkinderen en staat open voor het organiseren van een bijeenkomst. Wilt u reageren op dit artikel? Stuur dan een e-mail naar de redactie. redactie@mobiel.pleegzorg.nl

=====
kader
=====

Onderzoek oud-pleegkinderen
In de (Nederlandse) wetenschap is nog maar weinig bekend over de invloed van een jeugd binnen pleegzorg op de rest van het leven als volwassene. Alma Stans en Marja Cozijn (studenten aan de universiteiten van Amsterdam en Leiden) voeren in opdracht van Pleegzorg Advies Nederland onderzoek uit naar de ervaringen van jong-volwassenen die hun jeugd in een pleeggezin hebben doorgebracht. Zij zijn daarvoor nog op zoek naar oud-pleegkinderen in de leeftijd van 18-30 jaar. Bent u oud-pleegkind en wilt u meewerken aan dit onderzoek? Stuur dan een e-mail met uw gegevens naar e.engelhart@pleegzorgadvies.nl.
www.pleegzorgadvies.nl/onderzoek

NOOT1 Metzger, S. (2006). Permanency for Teens: New York City’s Emerging Policy. Voices For America’s Children, Casey Family Services, Issue Brief.

NOOT2 Courtney, M. E., Dworsky, A., Terao, S., Bost, N., Cusick, G. R., Keller, T., & Havlicek, J. (2005). Midwest Evaluation of the Adult Functioning of Former Foster Youth: Outcomes at Age 19. Chicago: Chapin Hall Center for Children.

NOOT3 Notitie ‘Versterking en uitbreiding van pleegzorgplaatsingen voor kinderen die niet meer thuis kunnen wonen’ (paragraaf 5.10) van Stichting Kinderpostzegels Nederland.


Tags: ,