Kleine stemmen, grote verhalen

‘Kleine stemmen, grote verhalen!?’ is de titel van de oratie van Hans Grietens ter gelegenheid van zijn benoeming als hoogleraar orthopedagogiek aan de Rijksuniversiteit in Groningen.

Grietens vindt dat in wetenschappelijk onderzoek de stem van pleegkinderen een grotere rol moet spelen. Er wordt relatief weinig onderzoek gedaan naar pleegzorg en het onderzoek dat gedaan wordt, is vooral dossieronderzoek of onderzoek bij makkelijk toegankelijke hulpverleners.

Pleegkinderen hebben hun eigen, unieke verhaal te vertellen, stelt Grietens. Daar kan het wetenschappelijk onderzoek nog veel van leren. Als je pleegkinderen zelf laat vertellen, hoor je uit de eerste hand hoe zij de plaatsing beleven. Ze kunnen uitleggen wat het betekent om in een pleeggezin op te groeien, hoe ze omgaan met verliezen, maar ook wat de winst is van pleegzorg. Hoe is het om zich staande te houden in een ingewikkeld relationeel netwerk en hoe kijken ze naar de toekomst? Hun relaties zijn eigenlijk vanaf het begin van hun leven verstoord en ze missen de garantie op een stabiele en onvoorwaardelijke relatie gedurende hun kindertijd.

Gewoon kind zijn
In literatuuronderzoek komt Grietens een aantal terugkerende thema’s tegen als je pleegkinderen zelf aan het woord laat. Ze ervaren pleegzorg over het algemeen als positief. Ze zijn bezorgd over familie, broertjes en zusjes, hoe lang de plaatsing zal duren of wat er gaat gebeuren als ze achttien worden. Soms zijn ze ontevreden, bijvoorbeeld als het verlies erg groot is, ze zich niet thuis voelen, de voorbereiding op de plaatsing slecht is verlopen of als ze zich niet veilig voelen. Pleegkinderen hebben (bijzondere) behoeften, zoals ‘geef me een familiegevoel, luister naar me, praat met me en aanvaard me’. Tot slot is pleegkind zijn ingewikkeld. Het heeft iets dubbels. Het liefst willen ze een gewoon kind zijn, maar ze zijn een uitzondering. Wie woont er nu in een ander gezin, heeft bezoekregelingen en moet met hulpverleners praten?

Beladen geschiedenis
Pleegzorg vanuit het perspectief van het pleegkind onderzoeken is een grote uitdaging, stelt Grietens. Niet zozeer omdat kinderen de bron van informatie zijn, maar omdat ze in een bijzondere situatie verkeren. Pleegkinderen hebben vaak een beladen geschiedenis. Hij denkt na over hoe je als onderzoeker met die beladen geschiedenis om kunt gaan en hoe zowel het kind als de onderzoeker voordeel kan hebben van het onderzoek. Vervolgens constateert hij dat mogelijk niet de onderzoeksmethode het grootste probleem is, maar hoe je bij het kind komt. Uit eerder onderzoek blijkt soms een non-respons van wel 70 procent. Pleegouders en professionals in pleegzorg functioneren als ‘gatekeepers’. Ze hebben allerhande argumenten waarom het op dat moment geen goed plan is om een pleegkind met een onderzoeksvraag te belasten.

Allerhande onderzoeken
Zo’n gatekeeper, dat ben ik. Als pleegmoeder vond ik het door de jaren heen belangrijk om aan onderzoeken mee te werken. Dit betrof algemene en kindgerichte onderzoeken. De eerste die ik me herinner, was Piet Strijker, die met een uitgebreid interview langskwam. Verder zijn alle vier de kinderen zeker tweemaal uitgebreid getest. Mijn man en ik vulden in toptijden ieder half jaar zes CBCL-lijsten in. De instelling deed aan tevredenheidsonderzoeken, ook bij onze 8-jarige pleegdochter. Er kwam een niet-aflatende hoeveelheid pleegzorgwerkers en voogden langs, aan wie de kinderen steeds opnieuw hun levensverhaal mochten vertellen en hun wensen en behoeften duidelijk konden maken. Grietens denkt dat het therapeutisch kan zijn om je verhaal te vertellen aan mensen die naar je luisteren. Ik heb dat ook weleens gedacht, maar nu denk ik dat niet meer.

De volgende passant
Als er al geluisterd wordt, wordt er vanuit de eigen invalshoek gereageerd. Voor het pleegkind is het alleen de volgende passant die graag een open en eerlijk verhaal wil horen, maar ondertussen op eigen gewin uit is. Ik ken een pleegmoeder die tegen nieuwe gezinsvoogden zegt, dat ze met het kind kunnen kennismaken als ze over een half jaar nog in dienst zijn. Ieder gesprek kost kinderen minstens een uur en eigenlijk willen ze buitenspelen of ‘chillen’ met vrienden. Tot slot zijn er de gerichte therapeutische interventies die het kind nodig heeft, zoals sociale vaardigheidstrainingen, EMDR (Eye Movement Desensitization and Reprocessing), speltherapie, ‘stop denk doe’-training en gesprekken met een psycholoog. Ik snap dat het voor onderzoekers lastig is om direct bij pleegkinderen terecht te komen, maar als pleegmoeder probeer ik de kinderen ruimte te geven om ‘gewoon’ te mogen leven. Ik blijf dus een kritische gatekeeper.

Grietens concludeert dat pleegkinderen kleine stemmetjes hebben, die zonder hulp niet ver dragen. Dat geeft onderzoekers een belangrijke verantwoordelijkheid om de verhalen gehoord te laten worden. Pleegmoeders delen die mening van harte en wenden hun kennis aan om het belang van het kind voorop te laten staan bij beslissingen over hun pleegkind.

======
KADER
======

Hans Grietens (1965, Leuven) studeerde klinische kinderpsychologie en ontwikkelingspsychologie aan de Katholieke Universiteit Leuven. In 1999 promoveerde hij in de psychologische, pedagogische en sociale wetenschappen aan de Rijksuniversiteit Groningen. Hier is hij sinds 2010 ook werkzaam als hoogleraar orthopedagogiek. Zijn onderzoek richt zich vooral op het jonge kind in jeugdzorg en pleegzorg.

‘Kleine stemmen, grote verhalen!?’ van Hans Grietens is een uitgave van Garant Antwerpen-Apeldoorn.
ISBN 9789044128321, € 9,90

 

 


Tags: ,