Tijdens verbouwing open

Er komen grote veranderingen aan in de jeugdzorg. Ze zijn misschien nog niet zo zichtbaar, maar het zoemt al wel. Het plan is dat tussen nu en vijf jaar tijd alle taken die nu onder de verzamelnaam ‘jeugdzorg’ vallen van de provincies naar de gemeenten worden overgeheveld. Naam van de hele operatie: de Transitie Jeugdzorg.

Dat de huidige jeugdzorg anders en beter moet, daar zijn vrijwel alle rapporten van de laatste jaren het wel over eens. René Paas, voorzitter van de Vereniging Nederlandse Gemeenten, constateert treffend: ‘De ingewikkelde wereld van de jeugdzorg is geen natuurverschijnsel, we hebben haar zo gemaakt.’ Het huidige kabinet probeert de jeugdzorg te verbeteren en heeft in het regeerakkoord afspraken gemaakt. Gemeenten worden financieel en uitvoeringstechnisch verantwoordelijk voor de uitvoering van alle jeugdzorg die nu onder het Rijk, de provincies, de gemeenten, de AWBZ en de Zvw (Zorgverzekeringswet) valt. Er moet één financieringssysteem komen voor het huidige preventieve beleid, de huidige provinciale jeugdzorg, de jeugd-lvg (zorg voor kinderen met een licht verstandelijke handicap) en jeugd-ggz. De Centra voor Jeugd en Gezin gaan dienen als ‘front office’ voor alle jeugdzorg van de gemeenten. Dit moet één stelsel voor hulp aan kinderen en hun gezin opleveren.

 Niet enkel schuiven met geld
Door de verantwoordelijkheid bij de gemeente te leggen, kan de hulpverlening beter aansluiten op de lokale situatie. Hulp kan dan ‘vindplaatsgericht’ gegeven worden en hulpverleners kunnen gemakkelijker samenwerken, doordat ze bij elkaar in de buurt zitten. Ook kan er meer en gerichter aan preventie worden gedaan.

Behalve de gemeenten zijn ook de jeugdinstellingen zich aan het voorbereiden op de aankomende veranderingen. De transitie is niet alleen een organisatorische verandering, het moet ook een cultuuromslag in de zorg mogelijk maken. Nu is de zorg nog versnipperd. Het ene project richt zich op schoolproblemen, een ander op kinderen die tijdelijk niet meer thuis kunnen wonen en weer een ander richt zich bijvoorbeeld op criminele jongeren. Zo heeft een kind (en het pleeggezin) al snel met veel verschillende mensen te maken. De bedoeling is dat dit gaat veranderen met één hulpverlener die een gezin langere tijd kan volgen en die niet, zoals nu, weer afzwaait als een bepaalde aanpak is afgerond. Zelfs als er extra hulp met specifieke kennis van zaken wordt ingezet (denk bijvoorbeeld aan een cursus Triple P), blijft de oorspronkelijke hulpverlener betrokken.

Dat het Centrum voor Jeugd en Gezin het nieuwe frontoffice wordt voor de gehele jeugdzorg, heeft gevolgen voor Bureau Jeugdzorg. De functie van doorverwijzen, die Bureau Jeugdzorg nu heeft, wordt immers overgenomen. Ook is nog onduidelijk wat er gaat gebeuren met de Kindertelefoon en het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling. De verwachting is dat deze taken overgaan naar andere instellingen binnen de gemeenten, maar hier is nog geen duidelijk besluit over genomen.

Ook wat betreft de andere vormen van hulpverlening die Bureau Jeugdzorg nu biedt, zal het afhangen van hoe een gemeente de uitvoering wil organiseren. Dat kan variëren van zelf doen tot helemaal uitbesteden (en alles daartussenin). Wel hebben de gemeenten er belang bij om voorrang te geven aan directe vrijwillige hulp, omdat daar duurdere hulp mee voorkomen kan worden.

Met het overhevelen van de zorg is een bedrag van 3 miljard euro gemoeid. Vanwege de te verwachten efficiencyverbetering wordt er op voorhand gekort op het bedrag. Een korting die uiteindelijk zal oplopen tot 300 miljoen euro. De gemeenten moeten de zorg dus wel zien te leveren met minder geld dan de provincies nu ter beschikking hebben.

Niet enkel de Transitie Jeugdzorg
Er zijn meer ontwikkelingen die invloed hebben op jeugdzorg. Zo is er sinds 2007 de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO). Deze wet moet ervoor zorgen dat mensen zo lang mogelijk mee kunnen blijven doen in de samenleving. Ook hier ligt de regie bij de gemeenten.

De WMO vervangt de Wet voorzieningen Gehandicapten (WvG), de Welzijnswet en een deel van de AWBZ. Een aantal taken, zoals het regelen van huishoudelijke hulp, is nu al over naar de gemeenten. In 2013 gaat de begeleiding van licht verstandelijk gehandicapte jongeren en kinderen met jeugd-GGZ over.

Het idee achter de WMO is, dat de gemeenten nu verantwoording afleggen aan de eigen inwoners en eigen accenten kunnen leggen. Al zijn er wel een aantal kaders opgesteld waar de gemeente beleid op moet formuleren. Deze kaders worden ‘prestatievelden’ genoemd. De overheid heeft bepaald dat de gemeenten hun beleid op deze prestatievelden moeten vastleggen in een beleidsplan.

Ook wil het kabinet het passend onderwijs herzien. Het is de bedoeling dat er een nieuw stelsel passend onderwijs op 1 augustus 2012 in werking treedt. Scholen kunnen zich specialiseren en onderling afspraken maken wie welke kinderen het beste onderwijs kan geven. Daarvoor gaan gewone scholen en scholen voor speciaal onderwijs samenwerken in regionale samenwerkingsverbanden. Het kabinet hoopt 300 miljoen euro te bezuinigen op het passend onderwijs. Deze bezuinigingen worden in fasen ingevoerd: in 2013 100 miljoen euro, in 2014 200 miljoen euro en vanaf 2015 300 miljoen euro. De rugzakjes worden afgeschaft, maar daar staat tegenover dat een deel van het budget voor zorgleerlingen rechtstreeks naar de schoolbesturen gaat.

Nieuwe ronde, nieuwe kansen
Met de Transitie Jeugdzorg ziet een aantal instellingen kans om ‘het nieuwe werken’ door te voeren. De nieuwe media bieden immers allerlei nieuwe kansen. Waarom zou een pleegzorgbegeleider nog aan een bureau werken? Je kunt draadloos op verschillende plekken werken. Informatie over een pleegkind, moet dat nog steeds op papier en in een dossierkast? Hoe kan een hulpverlener aansluiten bij de generatie die zich als vanzelfsprekend op internet beweegt? Met dat soort vragen in de hand proberen instellingen tegelijkertijd de nieuwe mogelijkheden te verkennen.

Het nieuwe werken staat los van de transitie, maar het één jaagt het ander wel aan. Instellingen worden gedwongen na te denken over welke hulp ze willen aanbieden. Het inzetten van moderne media past daar heel goed in, denk aan online hulpverlening of chatten met een pleegkind. Daarnaast bieden de moderne media de mogelijkheid om goedkoper te gaan werken (al vraagt dat eerst een investering). Wat verder nog meespeelt is, dat de dienstverlening opnieuw, dit keer door de gemeente, wordt ingekocht. Instellingen willen dus graag met een moderne indruk in de etalage.

De positie van pleegzorg
Het is niet realistisch om te denken dat (tijdelijk) uithuis wonen niet meer nodig is. Pleegzorg speelt inmiddels een belangrijke rol bij deze vorm van hulpverlening. Daarnaast is pleegzorg een soort van merknaam, die wereldwijd wordt gebruikt. De verschillende instellingen zijn dan ook (nog) aan het nadenken over de positie die pleeggezinnen – en daarmee de pleegzorgbegeleiders – gaan krijgen.

Pleegzorg Advies Nederland stelt terecht: Jeugdzorg is ingewikkeld, pleegzorg is ingewikkelder. De zorg is dat de complexiteit van de samenwerking tussen de deelnemers van het (pleegzorg)systeem wordt onderschat. Het risico dat pleegzorg tijdens de transitie onvoldoende aandacht krijgt, is daardoor levensgroot aanwezig. De gevolgen daarvan zijn groot voor pleegkinderen, die te vaak worden verplaatst, voor pleegouders, die onvoldoende worden gehoord en afhaken, voor ouders waar onvoldoende ruimte voor blijkt te zijn en voor professionals die hun hulpverleningstaak onvoldoende uit kunnen voeren.

Nu de zorg nog bij de provincie ligt, is het mogelijk om voor specifieke kinderen die (langdurig) een dure vorm van zorg nodig hebben, rendabele voorzieningen te treffen, zoals vormen van jeugdzorg-plus, gesloten plekken of voorzieningen voor moeder en kind. Voor individuele gemeenten is het financieel meestal niet rendabel om deze plekken te organiseren. Er is dus een vorm van samenwerking nodig. Voor pleegouders is het van belang dat deze plekken wel georganiseerd worden, omdat er anders geen ‘vangnet’ meer achter de pleeggezinnen zit.

Intussen…
Terwijl er op allerlei plekken gewerkt wordt aan de transitie, blijft er pleegzorg nodig. De verbouwing zal dus moeten plaatsvinden terwijl de winkel nog open is. De overdracht naar de gemeenten zal waarschijnlijk niet in één keer gebeuren, maar in fasen. Het is nog niet bekend of alle onderdelen gelijktijdig of gefaseerd worden overgeheveld en volgens welke systematiek het geld uiteindelijk wordt verdeeld. Al met al is er nog veel onduidelijk en moet er nog veel worden uitgedacht en uitgewerkt. Voor pleegouders (en de begeleiders van deze gezinnen) betekent dit nu al dat er minder tijd beschikbaar is. Er gaat immers de nodige tijd zitten in het bijhouden en uitwerken van de nieuwe plannen. Ook zal er in de komende periode soms beleid gemaakt worden op onduidelijke ontwikkelingen. Wat weer veranderende richtlijnen oplevert.

Gemeenten en instellingen proberen zich intussen zo goed mogelijk bij te scholen. Voorbeeld hiervan waren de ‘Nationale Jeugdzorgdagen’ in het Triavium in Nijmegen. In drie dagen werd geprobeerd een overzicht te geven van de transitie, maar ook een vertaling te maken naar de praktijk. Met een hele dag enkel over social media. De ontwikkelingen gaan op dit moment zo snel dat het heel goed mogelijk is dat er tussen het schrijven en het verschijnen van dit artikel al weer nieuwe ontwikkelingen zijn geweest. Het is dan ook aan te raden om zelf op zoek te gaan naar verdere informatie. De zoekterm ‘transitie jeugdzorg’ levert vanzelf een flinke hoeveelheid informatie op.


Tags: ,