Positie van pleegouders gewikt en gewogen

 

De Tweede Kamer heeft ingestemd met twee amendementsvoorstellen van Tweede Kamerlid Nine Kooiman (SP) die de positie van pleegouders moeten verbeteren. Pleegouders die langer dan een jaar voor het pleegkind zorgen, krijgen voortaan in alle gevallen spreekrecht in de rechtszaal. Ook moet een kinderrechter standaard oordelen over de vraag of een langdurige plaatsing in een pleeggezin kan worden beëindigd. Als een kind langer dan een jaar bij een gezin woont, kan het niet zonder toestemming van de kinderrechter worden weggehaald.

In haar voormalige werk als jeugdhulpverlener en gezinsvoogd merkte Kooiman al dat pleegouders te weinig rechten hebben. “Pleegouders van een kind dat onder toezicht is gesteld, krijgen bijvoorbeeld niet standaard spreekrecht in de rechtbank. De gezinsvoogd kan dit wel aan de rechtbank verzoeken, maar het gebeurt niet automatisch, omdat de pleegouders bijvoorbeeld niet zijn vermeld op de lijst van belanghebbenden bij het verzoekschrift. Het hangt vaak van de gezinsvoogd af of pleegouders worden betrokken bij een verlenging van de machtiging of ondertoezichtstelling.” Kooiman vindt dat pleegouders in de rechtbank hun visie mogen geven. “Zij brengen de meeste tijd door met het kind.” Daarom diende ze een amendement in op het wetsvoorstel in verband met de herziening van de kinderbeschermingsmaatregelen(1), samen met haar collega Madeleine van Toorenburg (CDA).

Kinderrechter oordeelt
Een ander amendementsvoorstel van Kooiman betreft de beëindiging van een plaatsing in een pleeggezin dat reeds een jaar of langer heeft geduurd. “Hier zou de kinderrechter zich standaard over moeten buigen. In de huidige situatie toetst de Raad voor de Kinderbescherming of een kind veilig terug kan naar de biologische ouders. De hechting van het kind aan pleegouders wordt nauwelijks meegewogen. In het nieuwe voorstel is sprake van toetsing op zowel veiligheid bij de

biologische ouders als op ‘family life’ (recht op familie- en gezinsleven) in het pleeggezin. Pleegouders kunnen zich nu wel beroepen op het blokkaderecht in het kader van de ondertoezichtstelling, maar voelen zich vaak bezwaard om tegen biologische ouders te procederen. Dit kan ook schadelijk zijn voor het pleegkind vanwege mogelijke loyaliteitsconflicten. Straks oordeelt de kinderrechter standaard over beëindiging van de uithuisplaatsing in het kader van de ondertoezichtstelling. Pleegouders hoeven dan niet zelf een conflictsituatie op te zoeken.”

Volgens Kooiman is een rechtszitting niet nodig als ouders, pleegouders en hulpverleners het eens zijn over een terugplaatsing. “Dan hoeft er bij wijze van spreken alleen een stempel te worden gezet. De kinderrechter zal de belanghebbenden wel oproepen voor een zitting als dat in het belang is van het kind.” Volgens Kooiman betekent de wetswijziging geen extra stap in de besluitvorming. “De toetsing ligt momenteel bij de Raad voor de Kinder¬bescherming en wordt straks verplaatst naar de kinderrechter.”

Teveel poppetjes
Is het nodig dat zoveel partijen zich buigen over de beëindiging van een plaatsing? Bureau Jeugdzorg, de pleegzorgorganisatie en de kinderrechter zijn al drie instanties die zich met een terugplaatsing bezighouden, met alle risico’s op miscommunicatie. Kooiman begrijpt deze bezorgdheid. “Rondom een pleeggezin staan inderdaad teveel poppetjes. Het zou goed zijn om overlegmomenten van verschillende instanties samen te voegen. “Als ik hardop nadenk, stel ik me bijvoorbeeld voor dat een gedragswetenschapper van Bureau Jeugdzorg bij de evaluatie van de pleegzorgorganisatie aanwezig is.” Uit eigen ervaring weet Kooiman ook dat jeugdhulpverleners te weinig tijd hebben om toezicht te houden na de terugplaatsing van een pleegkind. Een terugplaatsing staat of valt soms met nazorg. “Bureau Jeugdzorg is verantwoordelijk voor deze nazorg. Daar kan nog veel verbeteren. Jeugdhulpverleners hebben het te druk met papierwerk. Als politici moeten wij niet nog meer bureaucratie over hen uitstorten.”

Rol in hulpverlening
De twee amendementen op het wetsvoorstel tot herziening van de kinderbeschermingsmaatregelen maken deel uit van de wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Wet op de jeugdzorg. Deze wet moet nog worden behandeld in de Eerste Kamer. Waarschijnlijk zal de wet pas in 2012 in werking treden. In het wetsvoorstel verbetering positie pleegouders (2) verliezen biologische ouders het recht op kinderbijslag en het kindgebonden budget als hun kind uithuis wordt geplaatst (3).

Kooiman vindt dit een logische stap. “De besparing wordt gebruikt voor verbetering van de pleegzorgvergoeding. Tegelijkertijd ben ik bang dat biologische ouders nog meer in de problemen komen.” Ook wordt de rol van pleegouders in de hulpverlening verstevigd. Ze krijgen instemmingsrecht in het hulpverleningsplan en mogen meepraten over het (gezins)voogdijplan of jeugd¬reclasseringplan. Verder wordt de informatievoorziening aan pleegouders verbeterd. Kooiman: “Ik ben blij dat pleegouders de rechten krijgen die ze verdienen.” Ze roept lezers van Mobiel op om ideeën over positieverbetering naar haar te mailen: n.kooiman@tweedekamer.nl.

(1) Wetsvoorstel 32015
(2) Wetsvoorstel 32529
(3) Vanwege de voorgestelde wijziging in de kinderbijslagwet

======
KADER
======

 

Positie van pleegouders is maatwerk
“Als pleegzorgwerker streef ik naar samenwerking tussen ouders en pleegouders. Ik wil voorkomen dat zij tegenover elkaar komen te staan. Als het klapt, kan het kind daar last van krijgen. Soms is het hard werken om ouders binnenboord te houden. Voor hen moet duidelijk zijn dat pleegouders met liefde voor hun kind zorgen. Het moet niet lijken of het besluit van een kinderrechter wordt genomen vanwege de mening van pleegouders. Dit kan samenwerking verstoren.

De positie van pleegouders is maatwerk. In sommige gevallen span ik me in om pleegouders in de luwte te houden. Als zij eerlijk hun mening geven over bijvoorbeeld een ondertoezichtstelling, kan de relatie tussen ouders en pleegouders op scherp komen te staan. Zeker als het zwart op wit in een rapport staat. Pleegouders realiseren zich dat niet altijd. In andere gevallen wil ik juist dat pleegouders zich sterk maken voor hun pleegkind, omdat zij de enigen zijn die echt voor het kind gaan. Dan neem ik voor lief dat de samenwerking met ouders lastiger wordt.

Ik zou willen dat een pleegzorgwerker automatisch belanghebbende is in de rechtbank. De ene kinderrechter zegt: ‘U staat niet op mijn lijstje.’ De andere zegt: ‘Ik wil u graag horen.’ Voor ouders is het minder bedreigend als een pleegzorgwerker aan het woord is dan een pleegouder. Natuurlijk moeten pleegouders ook worden gehoord, maar ik vraag me af of de rechtbank de juiste plek is. Als pleegzorgwerker moet je eigenlijk al vóór de zitting weten wat pleegouders willen zeggen. Zij vormen de oren en ogen in het gezin. Als ze toch naar de rechtbank gaan, wil ik graag vooraf met hen praten. Soms overzien ze de gevolgen van hun uitspraken niet. Voor mij betekent pleegzorg samenwerking. Het belang van het kind staat voorop. Als iedereen dat voor ogen houdt, komen we een heel eind.”

Pleegzorgwerker Marlies

======
KADER
======

Wetsvoorstel onder de loep
Iedere wijziging in het verblijf (lees: overplaatsing) van het pleegkind dat in het kader van de OTS een jaar of langer in een pleeggezin verblijft, moet door Bureau Jeugdzorg ter toetsing aan de kinderrechter worden voorgelegd. Voor iedere overplaatsing na een verblijf van een jaar is toestemming van de kinderrechter vereist.

Casus situatie nu: Pleegouders Susanne en Bas zorgen twee jaar voor Kylie die onder toezicht staat. Bureau Jeugdzorg wil Kylie terugplaatsen bij haar moeder. Susanne en Bas vinden dit niet in het belang van Kylie. Ze verzoeken Bureau Jeugd¬zorg om af te zien van de voorgenomen thuisplaatsing. Bureau Jeugdzorg blijft bij het standpunt dat Kylie thuis moet worden geplaatst. De pleegouders moeten volgens de huidige wet een verzoek bij de kinderrechter indienen om de machtiging tot uithuisplaatsing te beperken (een zogenaamde machtiging ‘op naam van de pleegouders’).

Dezelfde casus na invoering van het wetsvoorstel: Bureau Jeugdzorg mag Kylie niet overplaatsen zonder toestemming van de kinderrechter. Bureau Jeugdzorg moet in dit geval het verzoek tot overplaatsing van Kylie bij de rechter indienen. Susanne en Bas mogen op de zitting aan de kinderrechter hun bezwaren kenbaar maken.

Reflectie: In de huidige praktijk kan Bureau Jeugdzorg nog wel eens snel tot overplaatsing overgaan, zonder dat pleegouders voldoende tijd hebben om zich tot de rechter te wenden. Met invoering van het wetsvoorstel is dat straks voor OTS-plaatsingen van een jaar of langer niet meer mogelijk. Dan is overplaatsing na een jaar zonder voorafgaande toestemming van de kinderrechter zelfs in strijd met de wet, dus onrechtmatig. Toetsing door de kinderrechter is verzekerd, zonder dat pleegouders hiervoor het initiatief hoeven te nemen. Dit laatste is voor pleegouders eveneens een voordeel, omdat het in de praktijk voorkomt dat pleegouders die een procedure starten door Bureau Jeugdzorg (en soms ook door pleegzorg) als ‘lastig’ worden bestempeld.

Mariska Kramer, advocaat

======
KADER
======

NVP blij met amendementsvoorstellen
“De NVP heeft veel contact gehad met Nine Kooiman over de positie van pleegouders. We zijn blij met haar amendementsvoorstellen. Hiermee wordt de positie van pleegouders echt versterkt. In het wetsvoorstel staat nadrukkelijk dat pleegouders die langer dan een jaar voor hun pleegkind zorgen, belanghebbenden zijn bij de rechtbank. Ze hoeven daar niet meer om te vragen. Pleegouders zijn vaak terughoudend om contact op te nemen met de griffie, maar hebben straks automatisch spreekrecht. Ook de inhoudelijke toetsing door de kinderrechter verstevigt hun positie.

In het wetsvoorstel missen we twee dingen. Er wordt nadrukkelijk gesteld dat pleegouders geen cliënten zijn in hulpverlening. Ze worden gecontracteerd door de pleegzorgvoorziening. Het is jammer dat niet duidelijk wordt geformuleerd wat hun positie dan wel is. Ook missen we het onderwerp deskundigheidsbevordering van pleegouders en pleegzorgwerkers. De NVP heeft hiervoor gepleit naar aanleiding van de problemen op het gebied van veiligheid. De staatssecretaris gaf als antwoord dat de pleegzorgvoorzieningen zelf budget hebben voor deskundigheidsbevordering en dat de politiek daar niet over gaat.”

Marielle Schmitz, Nederlandse Vereniging voor Pleeggezinnen (NVP)


Tags: ,