Pleegzorg blijft vooral ‘gewoon’ opvoeden

 

Het duiden van en omgaan met (probleem)gedrag van pleegkinderen is een hele klus voor pleegouders, pleegzorgwerkers en andere betrokkenen. In Nederland komen steeds meer jeugdigen terecht in speciale voorzieningen voor hulp en onderwijs aan kinderen met psychische en gedragsproblemen, opvoedproblemen of lichte ontwikkelingsachterstanden (Hermanns, 2009). Bij pleegkinderen is sprake van een toename van de ernst van de problematiek (Van den Bergh & Weterings, 2010). Grote groepen (pleeg)kinderen en opvoeders hebben dus veel aan deze gespecialiseerde hulp, zorg, behandeling en onderwijs en horen daar ook thuis. Een nuancering is echter op zijn plaats.

Auteur: Petra Bastiaensen

Heftige reactie
Een pleeggezinplaatsing is een ingrijpende gebeurtenis voor een kind. Als gevolg van de scheiding van de primaire verzorgers vertoont het kind een reactie die vergelijkbaar is met een rouwreactie. Bovendien wordt een uithuisplaatsing bijna structureel vooraf¬gegaan door een periode van problemen. Daarnaast zijn context en perspectief van de uithuisplaatsing, zeker voor jonge kinderen, vaak onduidelijk. Bij een dergelijke ingrijpende gebeurtenis hoort een passende heftige reactie. Het meest duidelijke voorbeeld is ‘acute stress syndrome’, een kortdurende fase van heftig protest, wanhoop en onthechting. Waargenomen gedragingen na een uithuisplaatsing bevinden zich verder op het vlak van sociaal-emotionele en cognitieve ontwikkeling. Voorbeelden zijn: onverschilligheid, verwarring, angst, geheugenstoornissen, agressie, gebrekkig concentratievermogen en hyperactiviteit. Naast psychologische en cognitieve effecten heeft een uithuisplaatsing ook een fysiologisch effect. Zo blijken kinderen tijdelijk erg vermoeid en vatbaar voor infecties te zijn en kunnen ze moeite hebben met eten en slapen.

Stress
Daarnaast kent elke ontwikkelingsfase eigen specifieke probleemgedragingen die worden versterkt door stress. Zo horen slaap-, eet- en zindelijkheidsproblemen, maar ook impulsief en claimend gedrag, agressie en machtstrijd bij jonge kinderen. Dit geldt uitdrukkelijk ook voor angsten, die een belangrijke functie hebben en zorgen voor alertheid en bescherming tegen gevaren. Jonge kinderen vertonen dan ook als stressreactie met name angstsymptomen (bijvoorbeeld sociaal terugtrekken of aanpassen), biologische verschijnselen (moeheid, slaap- en eetproblemen en terugval in zindelijkheid) en regressie in spelgedrag. Een programma als PPI (Pleegouder-Pleegkind Interventie) speelt hierop in door middels psycho-educatie informatie te geven over (niet altijd direct zichtbare) angst en stress en door zich te richten op versterking van sensitiviteit en responsiviteit bij de opvoeder. Doel is het beter begrijpen van (de stressreacties van) het pleegkind en het vergroten van de gevoelens van veiligheid. In feite is er sprake van een adequate reactie op een ingrijpende gebeurtenis, daar waar gedrag soms wordt geduid als stoornis.

Stoornis of probleem
Het onderscheid tussen stoornis en probleem is van belang bij het duiden van gedrag en het zoeken naar de meest passende wijze om gedrag te begeleiden. Factoren die de ontwikkeling van een kind beïnvloeden zijn aanleg, rijping en omgeving. Aanleg betreft zaken als DNA-structuur en de invloed van de moeder tijdens de groei in de baarmoeder (stofwisselingsziekte, drugs- of alcoholverslaving, medicijngebruik). Rijping betreft het centrale zenuwstelsel. In de eerste anderhalf jaar groeien de hersenen van een kind enorm. Dit is van invloed op de kwaliteit van de hersenfuncties (verantwoordelijk voor beheersing van impulsen en emoties, inlevingsvermogen en normen- en waardenbesef). De wijze en het tempo van rijping zijn wellicht in aanleg bepaald, waardoor familiaire rijpingsstoornissen voorkomen.
Omgeving betreft structurele invloeden (zoals opvoeding, scholing, sociale omgeving, culturele groep) en levensgebeurtenissen (zoals geboorte broertje of zusje, verhuizing, uithuisplaatsing, echtscheiding, ziekte, overlijden van gezinsleden, mishandeling, verwaarlozing, oorlog).

Bij een stoornis is de bron de aanleg of rijping. Er is sprake van een verstoorde ontwikkeling over personen en situaties heen. Het gedrag is weinig beïnvloedbaar van buitenaf. De behandeling bestaat vooral uit het leren omgaan met de ‘handicap’ door het kind en de omgeving. Bij een probleem is de bron de omgeving. Er is sprake van een vertraagde ontwikkeling die situatiegebonden of persoonsgericht is. Het gedrag is beïnvloedbaar. De behandeling bestaat vooral uit het wegnemen van belemmeringen. Vanzelfsprekend spelen ook bij een stoornis omgevingsinvloeden een rol bij de mate waarin en de leeftijd waarop een stoornis tot uiting komt.

Goed nieuws
Van belang bij dit onderscheid is de vraag of er omstandigheden in de omgeving zijn die het gedrag van het kind kunnen verklaren. Als dit het geval is, waarbij vooral gedacht moet worden aan factoren in opvoeding en gezinssituatie en aan traumatische gebeurtenissen, dan vormt dit een aanwijzing voor het bestaan van een probleem en niet van een stoornis. Bij het overgrote deel van de pleegkinderen spelen omgevingsfactoren in de vorm van een problematische opvoedingssituatie een rol (Van den Bergh & Weterings, 2010). Doorredenerend is bij veel pleegkinderen sprake van een probleem en niet van een stoornis. Het goede nieuws is dat het gedrag dus beïnvloedbaar is. De ‘behandeling’ bestaat primair uit het verblijf in een veilige, verzorgende en beschermende omgeving.

Een voorbeeld van deze gedachtegang is te vinden in de ontwikkelde visie op het omgaan met hechtingsproblematiek (Juffer, 2010). De gedachte ‘het kind moet in therapie om de gehechtheid te verbeteren’ is vervangen door ‘de opvoeder moet hulp krijgen om sensitiever op te voeden’. In een sensitievere opvoedingssituatie krijgt het kind correctieve gehechtheidervaringen aangeboden.

Maatschappelijke tendensen
Een andere bepalende factor voor het omgaan met probleemgedrag is de tijdgeest. In de huidige samenleving zijn enkele tendensen in de opvoeding waarneembaar (Hermanns, 2009). Ten eerste de tendens dat het jeugdtolerantieniveau afneemt. Als opvoeders last hebben van het gedrag van kinderen, wordt dit niet opgelost door ruimte te geven, grenzen te stellen en te communiceren, maar door ‘iemand te bellen’. Te weinig wordt een beroep gedaan op de veerkracht van de opvoeder, waarbij de insteek is dat opvoeders ‘recht hebben’ op hulp. Angst en het niet durven nemen van de verantwoordelijkheid liggen hieraan ten grondslag.

In het geval van een pleeggezin¬plaatsing wordt het delen van deze verantwoordelijkheid gefaciliteerd doordat een pleegzorgwerker voorhanden is. De maatschappij is het opvoeden verleerd, hetgeen onvermijdelijk ook zijn weerslag heeft op het specifieke opvoeden zoals dat door pleegouders gebeurt.

Ten tweede de tendens dat zorg en goede bedoelingen meer dan voorheen worden vertaald in het inschakelen van gespecialiseerde deskundigen. Dit betreft orthopedagogen, psychologen en kinderpsychiaters, die tijdens hun opleiding hebben geleerd problemen op te lossen door te diagnosticeren en behandelen. Daarmee worden tal van opvoedingsproblemen vertaald in psychopathologie, ontwikkelingsstoornissen, handicaps of disfunctionerende gezinsinteracties. Deze leiden tot indicaties en gespecialiseerde behandelingen. Een in omvang belangrijke en toenemende groep diagnoses is ADHD en PDD-NOS. Een opvoedingsprobleem wordt gereduceerd tot individuele stoornis met een individuele therapie. Het ideaal van de maakbaarheid van de samenleving lijkt te zijn vervangen door het ideaal van de maakbaarheid van het individu door gedragswetenschappers.

Veel kinderen met ADHD-kenmerken groeien zonder professionele hulp op en kunnen juist door hun aangeboren karakter mooie maatschappelijke carrières doormaken. Dit hangt er dan wel van af of hun opvoeders in staat zijn adequaat te reageren op hun dynamiek en zij daarbij de nodige steun krijgen van andere opvoeders. Adequaat reageren houdt in dat het kind onvoorwaardelijke genegenheid ervaart van de opvoeders, geaccepteerd wordt zoals het is, er structuur, regelmaat en rust in de situatie wordt gebracht, er duidelijkheid is over wat wel en niet mag en het gedrag (en niet het kind) zo nodig gecorrigeerd wordt.

Invloed probleemgedrag op opvoeding
Bij pleegkinderen is sprake van reactieve problematiek en een risico op erfelijke belasting. Daarnaast spelen andere factoren een rol, zoals de toestemming van de ouders aan het kind om elders op te groeien en onzekerheid over het perspectief. Naast het feit dat de veerkracht van kinderen zelf soms verbluffend is (Groenhuijsen, 2010), zijn de draagkracht en de reactie van pleegouders op probleemgedrag cruciaal. Probleemgedrag blijkt het opvoedingsgedrag van pleegouders direct te beïnvloeden en sturen.

Probleemgedrag neemt meestal niet af tijdens de pleegzorgplaatsing, maar blijft stabiel of neemt toe. De aanhoudende confrontatie met probleemgedrag resulteert in minder ondersteunend opvoedings¬gedrag en in meer autoritaire controle door pleeg¬ouders (Vanderfaeillie, Van Holen & Trogh, 2009). Een dergelijke opvoedingsstijl is niet effectief en resulteert vervolgens weer in een toename van probleemgedrag.

Pleegouders zijn bij uitstek het ‘middel’ om gedragsverandering bij het kind teweeg te brengen. Ze moeten dus leren om op een positieve en effectieve manier met het probleemgedrag van hun pleegkind om te gaan. Hiertoe ontwikkelde trainingen zijn het meest efficiënt als ze worden aangeboden gedurende het verblijf van het pleegkind in het pleeggezin, wanneer de pleegouders de aangeleerde vaardigheden kunnen oefenen en als ze geholpen worden bij en feedback krijgen over het gebruik ervan (Dorsey ea, 2008). De inzet van programma’s die zich richten op het versterken van de opvoeders (zoals TripleP en PMTO) dient gestimuleerd te worden. Professionals zijn hierbij tijdelijke en deskundige partners die hun expertise ten dienste stellen van kinderen en hun opvoeders, zonder dat ze meteen de regie overnemen. Dus import van deskundigen in de opvoeding om het opvoedingsgedrag te versterken in plaats van export van kinderen naar voorzieningen om te focussen op de problematiek van het kind.

Opvoeden begint nog altijd bij de opvoeders en niet bij herhaaldelijk observeren en diagnosticeren of bij een externe behandeling van het kind. Niet-effectief opvoedingsgedrag dient voorkomen en ontwikkelings-stimulerend opvoedingsgedrag dient bevorderd te worden. Dit betekent een omgeving creëren waarin sprake is van steun, stimulans, aanmoediging en realistische verwachtingen en waarin gedrag getolereerd, gestructureerd en gereguleerd wordt.

Meer lezen? Vraag de literatuurverwijzingen op bij redactie@mobiel-pleegzorg.nl.

Petra Bastiaensen is GZ-psycholoog/behandelcoördinator van De Zuidwester in Noord-Brabant.


Tags: , ,