Integraal Gelders Pleegzorgmodel

Auteur: Cor Hazekamp  

Sinds 2010 werken de drie grote instellingen voor Jeugd & Opvoedhulp Lindenhout, Entréa en Pactum, samen op het gebied van pleegzorg. Ze zijn tot een gezamenlijk model van integrale pleegzorg gekomen: het Integraal Gelders Pleegzorgmodel (IGP-model) (1). Dit model geeft vorm en inhoud aan vraaggerichte pleegzorg.

De drie genoemde organisaties hadden verschillende redenen voor deze samenwerking. Zo was er een wildgroei ontstaan in de verschillende vormen van pleegzorg. Andere redenen waren: een toenemend aantal pleegkinderen met ernstige en complexe problemen, een toenemend aantal plaatsingen die voortijdig of met een ongunstig resultaat werden beëindigd en het ontbreken van een duidelijk zorgaanbod voor de ouders tijdens de pleegzorgplaatsingen. Daarnaast werd de pleegzorg door de organisaties als te aanbodgericht ervaren en was het onwenselijk dat kinderen bij verandering van problematiek vaak van het ene naar het andere pleeggezin werden overgeplaatst.

Vraaggerichte pleegzorg

Het IGP-model geeft vorm en inhoud aan vraaggerichte pleegzorg. Dit betekent dat kinderen in een pleeggezin opgroeien gedurende de periode dat de ouders zelf niet voor een veilige opvoeding kunnen zorgen. Verder kan de ontwikkeling van het kind zich op cognitief en sociaal-emotioneel gebied positief ontwikkelen binnen het pleeggezin. Vanuit ditzelfde pleeggezin kan de relatie tussen het pleegkind en de ouders verder vormgegeven worden. Om dit te bereiken, moet de professionele begeleiding en onder¬steuning voortdurend worden afgestemd op de actuele situatie binnen het pleeggezin en op de rol die ouders voor hun kind innemen, nu en in de toekomst. Dit betekent dus begeleiding op maat: meer indien nodig, minder als het kan. Het gevolg is, dat binnen pleegzorg voortdurend gezocht wordt naar balans. Balans tussen de ontwikkelingsvraag van het pleegkind en het opvoedingsaanbod van de pleegouder.

Ouderbegeleiding
Op zich lijkt bovenstaande niks nieuws. In de praktijk blijkt dat echter een ander verhaal. Het IGP-model vraagt een grotere verandering van pleegzorgmedewerkers, pleegouders en ouders dan in eerste instantie lijkt. Een grote verandering is de actieve begeleiding en ondersteuning van ouders. In het kort gezegd zijn er twee mogelijkheden voor ouderbegeleiding. De eerste richt zich op het vergroten van de competenties van ouders zodat de terugkeer van hun kind in hun eigen gezin een succes wordt. De tweede is gericht op het vergroten van de competenties van ouders zodat de plaatsing van hun kind in het pleeggezin een succes wordt.

In deze varianten worden verschillende competenties van ouders, pleegouders en pleegzorgmedewerkers verwacht. Voor beide varianten zijn daarom specifieke modules ontwikkeld.

De oudermodule maakt alleen al duidelijk dat het IGP-model werkt vanuit de systeemtheoretische en contextuele visie. Een systeemtheorie gaat ervan uit dat een persoon binnen meerdere systemen leeft, zoals gezin, school of werk. Vanuit de contextuele theorie neemt elk persoon een onmisbare existentiële plek in binnen het grotere geheel van de familie. Naast de algemene ontwikkelingstaken en vaardigheden die elk kind heeft, zoals praten, lopen, omgaan met emoties of seksualiteit, heeft een pleegkind een extra ontwikkelingstaak: een plaats geven aan ouders en pleegouders en het aanvaarden van de pleegkindstatus.

Een andere grote verandering is dat er in het IGP-model nog maar drie typen pleegzorg zijn: crisispleegzorg, vakantie/ weekendpleegzorg en pleegzorg. Bij het laatste type is het bij de start van de plaatsing mogelijk onduidelijk hoelang een pleegkind in het pleeggezin blijft wonen. Dit doet dus een beroep op de flexibiliteit van het pleeggezin.

Zoeken naar balans
Zoals eerder genoemd, zoekt het IGP-model naar een balans tussen de ontwikkelingstaken van een pleegkind en het opvoedingsaanbod van de pleegouder. Het zoeken naar deze balans begint al bij de matching. Dit wordt gedaan door zowel kinderen als pleegouders te typeren. Zo kent het IGP-model vier typen pleeggezinnen. Het eerste type is een ‘betrokken’ pleeggezin dat een grote sociale en maatschappelijke betrokkenheid kent. In vergelijking tot de andere drie typen gezinnen is er weinig structuur, de onderlinge betrokkenheid is groot en er is veel ruimte voor het uiten van positieve en negatieve gevoelens. Het tweede type is een ‘conformerend’ pleeggezin. Dit gezin legt de nadruk op aanpassing en conformeren aan vaste regels, sociale normen en gewoonten. De pleegouders zijn in hun opvoeding warme personen en steunen hun pleegkind. Het derde type is in een ‘fragiel – gestructureerd’ pleeggezin. In dit gezin worden weinig eisen aan het pleegkind gesteld. Er ligt weinig nadruk op aanpassing, het leveren van prestaties en het naleven van normen. De ontwikkeling van het pleegkind wordt weinig gestimuleerd. Er is wel degelijk structuur. Het laatste type is een ‘structuur’ pleeggezin. In dit type gezin controleren leden elkaar sterk op hun doen en laten. Dit gezin is goed georganiseerd in de uitvoering van het dagelijks leven. De relaties zijn hecht en er is ruimte voor het uiten van positieve en negatieve gevoelens. Ook voor pleegkinderen wordt een soortgelijke indeling gemaakt. Deze indeling bestaat uit vier typen van sociale problemen. Zo is er onderscheid gemaakt tussen terug¬getrokken en agressief gedrag. Verder kan het kind aandachtsproblemen hebben. Het kan ook zijn dat het kind geen specifieke problematiek heeft. Elk type kind past bij een type pleeggezin.

Extra ondersteuning
Het zoeken naar of houden van balans tussen de ontwik¬kelingstaken van een pleegkind en de situatie in het pleeggezin kan ook bevorderd worden door een verandering in contactfrequentie tussen pleegzorgmedewerker en gezin. Pleegzorgmedewerkers hebben de mogelijkheid om, indien nodig, het pleeggezin extra te ondersteunen. Dit worden aanvullende verrichtingen genoemd. Mocht deze ondersteuning onvoldoende zijn, dan kan specialistische kennis of vaardigheden van professionele derden ingezet worden.

Van pleegouders vraagt het IGP-model ook specifieke competenties. Ze moeten op de hoogte zijn van het IGP-model, vaardig zijn in het specifiek opvoeden van het pleegkind en kunnen aangeven of er aanvullend zorgaanbod moet worden geleverd (of juist minder).

Dit vergt inzicht van de pleegouders in de balans tussen de aanwezige draagkracht en draaglast in het gezin. Deze competenties worden bij de voorbereidingscursussen voor pleegouders in beeld gebracht en getraind. Ook worden er trainingen en cursussen aangeboden. Als laatste is de pleegzorgmedewerker in de begeleiding een belangrijke schakel om pleegouders te ondersteunen en begeleiden bij het ontwikkelen van competenties.

De resultaten van dit model zullen geanalyseerd worden door het effect van de verschillende modules te meten, zoals de ouderbegeleiding. In de loop van 2012 zullen de eerste gegevens beschikbaar zijn. <

Cor Hazekamp is teamleider pleegzorg bij Pactum.

(1) De Hogeschool Arnhem Nijmegen (HAN) is vanaf het begin betrokken bij de totstandkoming van het IGP-model en zal de effecten meten. Dit betekent dat het model zich in de toekomst nog verder ontwikkelt.


Tags: ,