Regelmaat en ritme

Auteur: Petra Bastiaensen

Uitgangspunten voor een ontspannen contact

Hoe vaak heeft een pleegkind contact met de biologische ouders? Waar vindt het contact plaats? Wie is erbij aanwezig? Wat betekent dit contact voor het kind? Het kunnen lastige vragen zijn. Het belang van het kind staat voorop, maar soms dringen gevoelens van biologische ouders en de rol van pleegouders zich op de voorgrond. Oudercontacten worden veelal geregeld zonder gedeelde visie en richtlijnen over inhoud en vorm. Op basis van een literatuurstudie formuleerde Petra Bastiaensen uitgangspunten voor een zo ontspannen mogelijk verlopend contact tussen kind en ouders.

Verbondenheid met ouders en familie
Een kind heeft recht op persoonlijk contact met zijn ‘roots’ om invulling te kunnen geven aan de zijns­loyaliteit als gevolg van de bloedband. Contact heeft een therapeutische waarde voor de ontwikkeling van de identiteit en het zelfbeeld van een kind. Daarnaast heeft een kind het recht een reëel beeld van zijn ouders te verkrijgen en te houden. Uitgangspunt is dat onthouding van contact traumatischer is dan een slecht verlopend contact. Het risico op gevoelens van basale afwijzing of idealisering is aanwezig als een kind geen contact heeft met zijn ouders. Het is belangrijk om te (blijven) zoeken naar contactmogelijkheden tussen kind en ouders. Contact is een recht, geen plicht (Singer, 2000; Mapp, 2004).

Het doel is verbinden van de achtergrond en de huidige leefsituatie van het kind in plaats van ontkoppelen. Voor een kind is het van belang om van de ouders emotionele toestemming te krijgen voor het verblijf in het pleeggezin en om van de pleegouders emotionele toestemming te krijgen voor het contact met de ouders (Scott, O’Neill & Minge, 2005).

Duidelijkheid over de plaatsing
Uit wetenschappelijk onderzoek (Van Lieshout, 2001; Weterings & Pool, 2002) blijkt dat het belangrijk is voor een kind dat het weet waar het zal op­groeien. Zowel de voorstanders van nauwe betrokken­heid van ouders bij het kind als de tegenstanders daarvan, zijn het eens over het belang van verblijfs­zekerheid voor kinderen. In de landelijke wetgeving en visiedocumenten rondom pleegzorg en het nemen van een beslissing rondom uithuisplaatsing, komt het ontwikkelingsbelang van het kind meer centraal te staan (Van den Bergh & Weterings, 2010).

Continuïteit, bestaanszekerheid en ontwikkelingsperspectief zijn hierin kernwoorden en doelen van de hulpverlening. Vanuit het gegeven dat kinderen geen andere keuze hebben dan zich te hechten, moeten beslissingen zo snel mogelijk genomen worden. Denk hierbij in termen van maanden in plaats van jaren (Juffer, 2010). Bij onzekerheid over het perspectief van de plaatsing kunnen de oudercontacten een toenemende bron van stress vormen. Dit belemmert de ontwikkeling van een positieve emotionele relatie tussen kind en ouders.

Ontwikkelingsbelang van het kind
Het ontwikkelingsbelang van een kind is bij een bezoekregeling anders gedefinieerd dan bij een opvoedingssituatie (Lucey e.a., 2003; Thoburn, 2004). Fysieke veiligheid moet tijdens een bezoek gegarandeerd te zijn. Emotionele en pedagogische veiligheid is geen voorwaarde, maar wel een streven. Het uitgangs­punt is namelijk dat een kind zich (24 uur per dag, zeven dagen in de week) in een fysiek, pedagogisch en emotioneel veilige en stabiele opvoedingssituatie (het pleeggezin) bevindt. Vanuit deze situatie kan het kind gevoelens van angst, spanning en onrust, voortkomend uit pedagogische en emotionele onveiligheid (beter) verwerken of hanteren. Het ontwikkelings­belang van een kind bij een bezoekregeling spitst zich toe op de verwerkingsmogelijkheden van een kind (Howe & Steele, 2004; Taplin, 2005).

Problemen met oudercontacten hebben vaak en vooral te maken met de reactie van het kind op het contact. Deze reactie bestaat uit moeilijk gedrag of terugval in functioneren. Volgens pleegouders is in ruim 40 procent van de gevallen sprake van onrustig of lastig gedrag, slecht inslapen, nachtmerries of bedplassen. De reacties zijn voor een belangrijk deel functioneel en het gevolg van de extra ontwikkelingstaak van het pleegkind, te weten verwerking van het pleegkind-zijn. Dit betreft niet alleen verwerking van de uithuisplaatsing en van het niet bij ouders kunnen opgroeien, maar ook van gevoelens van schuld, schaamte, boosheid en zorg ten opzichte van de ouders. Er zijn ook factoren die dit verwerkingsproces bemoeilijken of het in balans brengen van de gevoelens ten opzichte van de ouders bemoeilijken. Deze factoren kunnen te maken hebben met het kind zelf, met het functioneren van de ouder(s) of met de relatie tussen de ouder(s) en het kind. De CHOP (Checklist Ouder­contacten in de Pleegzorg, 2010) is een checklist die is ontwikkeld om op deze drie niveaus de risico- en beschermende factoren in kaart te brengen.

– Elk kind heeft recht op begeleiding van de bezoeken, indien dit noodzakelijk is, ter bescherming van zijn fysieke, emotionele of pedagogische veiligheid (Selwyn, 2004).

– Bij jonge kinderen is de aanwezigheid van pleeg­ouders als vertrouwde volwassenen (in wording) een belangrijke beschermende factor bij het borgen van de emotionele veiligheid.

– Verbintenis en overeenstemming tussen alle betrokkenen over de eigenschappen van het bezoek vormen een beschermende factor voor het kind (Leathers, 2003; Selwyn, 2004; Thoburn, 2004).

Zorgteam
De bezoekregeling tussen kinderen en hun ouders zou idealiter moeten worden vastgesteld in een zorgteam dat rondom elke pleeggezinplaatsing is ingesteld. Het zorgteam komt minimaal twee keer per jaar bij elkaar en is minimaal samengesteld uit ouders, pleegouders, (in principe) het kind in kwestie van twaalf jaar en ouder, vertegenwoordigers uit het netwerk en professionals die een rol spelen. De leden van het zorgteam ontwerpen gezamenlijk een voorstel voor de bezoekregeling en zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de uitvoering ervan. Zowel het voorstel als de uitvoering wordt getoetst door professionals.

Bezoek integreren in het dagelijks leven
Een zo natuurlijk mogelijke integratie met soepele overgangsmomenten leidt tot de minste spanning en onrust. In de meest ideale situatie betekent dit dat frequentie en duur afgestemd zijn op de behoefte van het pleegkind, de ontmoeting plaatsvindt in het pleeggezin of in het gezin van oorsprong en er geen begeleiding aanwezig is. Uitgangspunt is om te blijven streven naar deze ideale situatie. Soms is dit meteen bij aanvang van de plaatsing mogelijk, soms kan dit niet voor het achttiende levensjaar gerealiseerd worden (Taplin, 2005).

Continuïteit en regelmaat
Risicofactoren die vanuit de literatuur naar voren komen zijn een onregelmatige bezoekfrequentie (Browne & Moloney, 2002; Lambermon, 2005) en emotionele of gedragsproblemen bij kinderen, vaak voortkomend uit hechtings- of loyaliteitsproblemen (Browne & Moloney, 2002; Leathers, 2003). In de literatuur wordt geen verband gevonden tussen de frequentie en duur van oudercontacten en de ontwikkeling van het kind. Bij problemen rondom oudercontacten moet de oplossing dan ook niet primair of uitsluitend gezocht worden in wijziging van de eigenschappen (zoals frequentie, duur of plaats). Het kind is gebaat bij continuïteit en regelmaat in de bezoeken en het aantal veranderingen moet beperkt blijven. Veel meer moet ingezet worden op begeleiding om de kwaliteit van het contact te verbeteren en op hulp voor het kind, de ouders en de pleegouders bij het verwerken en hanteren van de bezoeken (Leathers, 2003; Stover e.a., 2003; Lambermon, 2005).

Ontspannen bezoek
Bezoek tussen kind en ouder levert spanning op. Deze spanning hoort erbij en heeft een functie. Voorbereiden, ondersteunen en nabespreken van de bezoeken met het kind door de pleegouders is nodig. Niet op een beladen wijze, maar op de vanzelf­sprekende en kordate wijze waarop elke opvoeder alle spannende, maar onontkoombare momenten die bij het leven van een kind horen voorbereidt, ondersteunt en nabespreekt. In de begeleiding en in het zorgteam dient de focus te liggen op het verwerken van de emoties die de bezoeken bij ouders en pleegouders teweegbrengen en op het samen zo ontspannen mogelijk inpassen van de bezoeken in de dagelijkse routine. En dus niet op verandering, vermindering, vermeerdering, verkorting, verlenging of verplaatsing van de bezoeken. <

Petra Bastiaensen is GZ-psycholoog/behandelcoördinator bij De Zuidwester.

======
KADER
======

CHOP
Bureau Jeugdzorg West-Brabant en De Zuidwester hebben de Checklist Oudercontacten in de Pleegzorg (CHOP, 2010) ontwikkeld. Het doel is te komen tot een ontspannen en betekenisvol contact tussen kinderen en hun ouders. Concreet leidt deze checklist tot een advies over de aanwezigheid van volwassenen tijdens het bezoek en over de plaats, duur en frequentie van de bezoeken. Aanschaf van de CHOP en inzet binnen de organisatie kan worden gerealiseerd door een speciaal hiervoor ontwikkelde training van twee dagdelen te volgen. Voor informatie over deze training: p.bastiaensen@zuidwesterjeugdzorg.nl.


Tags: , ,