Hechten aan nieuwe ouders

Auteurs: Linda van den Dries en Femmie Juffer  

Kinderen die in een pleeggezin worden opgenomen, hebben net als adoptie­kinderen vaak een moeilijke periode achter de rug. In een wetenschap­pe­lijke studie van de Universiteit Leiden is onderzocht in hoeverre pleegkinderen en adoptiekinderen in staat zijn deze negatieve ervaringen achter zich te laten en een veilige gehechtheids­relatie met hun nieuwe ouders op te bouwen.

Alle kinderen ontwikkelen tijdens hun eerste levensjaar een gehechtheidsrelatie met hun opvoeder(s). Welk gehechtheidsgedrag kinderen ontwikkelen, hangt af van de manier waarop volwassenen op hen reageren en met hen omgaan. Kinderen die gewend zijn steun en bescherming van hun ouders te krijgen, ontwikkelen een veilige gehechtheidsrelatie. Deze kinderen leren dat zij kunnen vertrouwen op de beschikbaarheid van hun ouders en gebruiken hen als een ‘veilige basis’ om de omgeving te verkennen én als bron van troost en bescherming in stressvolle situaties. Kinderen van wie de ouders regelmatig (emotioneel) niet beschikbaar zijn, zijn vaak onveilig gehecht. Er zijn drie typen onveilige gehechtheid, waarvan onveilig-gedesorganiseerde gehechtheid het meest zorgwekkend is, omdat het latere gedragsproblemen voorspelt. Kinderen met een gedesorganiseerde gehechtheid ervaren ‘angst zonder oplossing’. Voor deze kinderen zijn de ouders op hetzelfde moment een bron van angst én de enige mogelijkheid tot het vinden van troost. Deze tegenstrijdigheid zorgt ervoor dat de kinderen niet in staat zijn om op een goede manier met spanningen om te gaan.

Nieuwe ouders
Kinderen kunnen zich aan meerdere personen hechten, waarbij de kwaliteit van deze gehechtheidsrelaties (veilig of onveilig) niet hetzelfde hoeft te zijn. Kinderen die in een pleeggezin worden opgenomen, ontwikkelen naast de gehechtheidsrelatie die ze met hun biologische ouders hebben ook een gehechtheidsrelatie met hun pleegouders. Veel pleegkinderen hebben een opvoedingssituatie mee­gemaakt waarin zij niet konden rekenen op de steun en bescherming van hun ouders. Hierdoor kan het voor deze kinderen moeilijk zijn te vertrouwen op de beschikbaarheid van hun pleegouders, zelfs als de pleegouders hun een veilige omgeving bieden. Om te onderzoeken in hoeverre kinderen na de plaatsing in een verbeterde gezinsomgeving in staat zijn een veilige relatie met hun pleeg- of adoptieouders op te bouwen hebben wij een ‘meta-analyse’ uitgevoerd.

Wat is een meta-analyse?
Een meta-analyse is een wetenschappelijke onderzoekstechniek waarbij de resultaten van alle beschikbare studies over hetzelfde onderwerp samengenomen worden. Hier­door kan een onderzoeksvraag bij een grote onderzoeksgroep onderzocht worden. In onze meta-analyse hebben wij 17 adoptieonderzoeken opgenomen met in totaal 772 adoptiekinderen en 11 pleeggezinstudies met in totaal 300 pleegkinderen.(1) De meeste studies naar pleegkinderen werden uitgevoerd in Amerika. We hebben echter ook de enige Nederlandse studie meegenomen, uitgevoerd door Dr. Mirjam Oosterman aan de Vrije Universiteit van Amsterdam. Zij onderzocht in haar studie de gehechtheid van 61 Nederlandse pleegkinderen die tussen de twee en acht jaar oud waren.

Vergelijking met biologische gezinnen
Van de kinderen die bij hun biologische ouders opgroeien (de normgroep), ontwikkelt 62 procent een veilige gehechtheidsrelatie met de ouders, terwijl 15 procent van deze kinderen onveilig-gedesorganiseerd zijn. Uit de onderzoeken naar pleegkinderen blijkt dat pleegkinderen statistisch gezien even vaak veilig gehecht zijn (52 procent) als kinderen die bij hun biologische ouders opgroeien, maar dat ze vaker een onveilig-gedesorganiseerde gehechtheidsrelatie ontwikkelen (36 procent; zie tabel).

Uit de resultaten van de adoptieonderzoeken blijkt dat adoptiekinderen, vergeleken met de normgroep minder vaak veilig gehecht zijn (47 procent) en vaker een onveilig-gedesorganiseerde gehechtheidsrelatie laten zien (31 procent). Tegelijkertijd laten zowel de pleeg- als adoptiekinderen een gunstiger ontwikkeling zien dan kinderen die in een kinder­tehuis wonen. In kindertehuizen heeft namelijk maar 11 procent van de kinderen een veilige gehechtheid en heeft 73 procent van de kinderen een onveilig-gedesorganiseerde gehechtheidsrelatie met zijn verzorger (zie tabel). Dit hoge percentage onveilige gehechtheid in kindertehuizen komt door de structurele verwaarlozing die veel kinderen hier meemaken. In kindertehuizen groeien kinderen vaak op in grote groepen met veel wisselende verzorgers. De kinderen krijgen onvoldoende individuele aandacht en hebben niet de mogelijkheid een goede band met hun verzorger(s) op te bouwen.

Wat helpt?
Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat onveilig gehechte kinderen toch nog een veilige gehechtheidsrelatie kunnen opbouwen als hun (nieuwe) ouders zorgen voor positieve gehechtheidservaringen. Het is daarom belangrijk dat adoptie- en pleegouders tips aangereikt krijgen, zodat zij een opvoedingsomgeving kunnen creëren waarin de kinderen zich veilig gaan voelen. We weten dat opvoedingsondersteuning waarbij ouders met videobegeleiding leren om de gedragssignalen van hun kind te herkennen, ervoor zorgt dat de ouders adequater op het gedrag van de kinderen ingaan. Dit komt het ontwikkelen van een veilige gehechtheid ten goede.(2)  Voor pleegouders is het belangrijk om naast het goed reageren op de gedragssignalen van hun kind ook rekening te houden met de situatie waarin bepaald gedrag voorkomt. Je moet als pleegouder niet alleen letten op het gedrag dat je ziet. Je moet ook letten op het gedrag dat er niet is, maar dat er wel zou moeten zijn.(3)

Zo zal een kind dat niet gewend is om getroost te worden niet altijd tonen dat hij pijn heeft. Terwijl het kind eigenlijk zou moeten huilen en naar je toe zou moeten komen als hij bijvoorbeeld hard gevallen is. Wanneer pleegouders hun kind in zulke situaties toch troosten, laten zij merken dat het kind op hen kan vertrouwen als er iets aan de hand is. Dit maakt het voor het pleegkind mogelijk zijn oude verwachtingspatroon aan te passen aan de nieuwe omgeving en zo kan hij zich veilig gaan voelen bij zijn pleegouders. <

(1) Van den Dries, L., Juffer, F., Van IJzendoorn, M.H., & Bakermans-Kranenburg, M.J. (2009). Fostering security? A meta-analysis of attachment in adopted children. Children and Youth Services Review, 31, 410-421.

(2) Bakermans-Kranenburg, M.J., Van IJzendoorn, M.H., & Juffer, F., (2003). Less is more: Meta-analyses of sensitivity and attachment interventions in early childhood. Psychological Bulletin, 129, 195-215.

(3) Stovall, K.C., & Dozier, M. (2000). The development of attachment in new relationships: Single subject analyses for 10 foster infants. Development and Psychopathology, 12, 133-156.


Tags: ,