Wat werkt binnen de pleegzorg?

Dit jaar verscheen het boek ‘Pleegzorg in perspectief; Ontwikkelingen in theorie en praktijk’ onder redactie van Peter van den Bergh en Tonny Weterings. Peter van den Bergh is orthopedagoog en onderzoeker aan de Universiteit in Leiden. Hij doet veel onderzoek naar pleegzorg en is nauw betrokken bij het expertisecentrum Kind in de Pleegzorg (www.kindindepleegzorg.nl). Tijdens zijn studie in de jaren ’70 waren Peter en zijn vrouw korte tijd zelf pleegouder. Voldoende aanleiding dus voor Mobiel om eens met Peter van den Bergh te gaan praten.

“We hebben het niet zo best gedaan als pleegouder,” vertelt Peter van den Bergh. “We zaten vol goede bedoelingen, maar waren erg naïef. Het meisje kwam uit een residentiële instelling en had het veel te goed bij ons. Misschien wilden we ook wel te lief zijn voor haar. Na verloop van tijd liep ze weg.” Aanvankelijk richtte Van den Bergh zich in zijn werk op kinderen in de residentiële zorg. Vanaf de jaren ’90 richtte hij zich samen met Tonny Weterings, pedagoog en onderzoeker, op pleegzorg.

Kwaliteit van pleegzorg
In de afgelopen tien jaar is het aantal kinderen dat in een pleeggezin woont ruim verdubbeld. In ‘Pleegzorg in perspectief’ wordt geschreven dat de samenleving niet alleen vraagt naar goede intenties, maar ook naar kwaliteit en professionalisering.

Neemt die kwaliteit toe? Van den Bergh: “Er komt steeds meer wetenschappelijk bewijs dat pleegzorg werkt. Daarbij is het lastig te onderbouwen of de kwaliteit toeneemt. Er wordt relatief weinig onderzoek gedaan naar pleegzorg. Het onderzoek dat gedaan wordt, beslaat deelaspecten van het opgroeien in een pleeggezin en berust bovendien op kleine aantallen ‘proefpersonen’. Eigenlijk zou Pleegzorg Nederland het voortouw moeten nemen in een langerlopend onderzoek naar hoe het pleegkinderen vergaat in pleeggezinnen. Je volgt dan langdurig een grote groep pleegkinderen met een nulmeting op het moment dat kinderen in een pleeggezin komen. Hierna volgen regelmatige tussentijdse vervolgmetingen.”

Kinderen zijn beter af in een pleeggezin bij een uithuisplaatsing, maar hoe het daarna met hen gaat, is niet bekend. In het boek pleit Jo Hermanns, deeltijdhoogleraar opvoedkunde in Amsterdam, ervoor om de grens van pleegzorg op te rekken naar 23 jaar. “Er zijn geen gegevens over kinderen na hun 18e en ook niet over hoe ze het op de lange termijn redden,” zegt Peter van den Bergh. “Zelfs als kinderen wel op zichzelf gaan wonen met 18 jaar, hebben de meesten nog een vorm van coaching nodig.”

Er wordt sowieso weinig onderzoek gedaan naar pleegzorg. De verschillende universiteiten overleggen niet met elkaar over onderzoeksonderwerpen. Ook in het buitenland wordt er soms fragmentarisch onderzoek gedaan naar pleegzorg. Alleen in de Verenigde Staten en Groot-Brittannië is er onderzoek van betekenis, maar het pleegzorgsysteem is in die landen niet met dat van ons te vergelijken. Op dit moment verkennen de universiteiten van Leiden, Nijmegen en Brussel heel voorzichtig een mogelijke samenwerking op het gebied van pleegzorgonderzoek.

Ontwikkeling pleegkind centraal
Een van de grootste verworvenheden in de afgelopen tien jaar is dat het pleegkind en zijn ontwikkeling centraal is komen te staan in de wetgeving. Deze verandering kwam tot stand na onderzoek van Tonny Weterings. Van den Bergh tekent hierbij wel aan dat er nog steeds een hoog afbreekpercentage is van pleegzorgplaatsingen: “Het is kwalijk dat die afbrekingen deels worden veroorzaakt door systeemgerichte fouten. Kinderen worden uit gezinnen gehaald omdat nieuwe plaatsers andere ideeën hebben over wat het beste is voor het kind, omdat ouders toch nog een kans krijgen of omdat dit kind niet in dit crisisgezin mag blijven omdat het daar een goede plek bezet houdt. Allemaal argumenten waar de ontwikkeling van het kind helemaal niets mee te maken heeft.”

De orthopedagoog wijst op het ‘Gelders model’, ook wel integrale pleegzorg genoemd, waarbij het kind in het pleeggezin blijft, ook als het gedrag intensieve of therapeutische begeleiding vereist. Het pleeggezin krijgt in zo’n geval de ondersteuning die nodig is om het met het kind te redden. “Nog steeds vinden de meeste hulpverleners dat het kind het beste bij zijn ouders kan opgroeien, maar daar is geen wetenschappelijke bewijs voor. De bloedband alleen is geen reden om kinderen terug te plaatsen bij hun ouders.

Ook van alle bezoekregelingen is er geen bewijs dat dit het welzijn van het kind bevordert. Het levert wel vaak veel stress op en dat is duidelijk en bewezen niet goed voor de ontwikkeling van een kind.”

Werken vanuit wat bewezen is
“Kinderen gaan op zoek naar hun wortels. Een kind wil weten waar het vandaan komt, hoe zijn ouders eruit zien en waarom zij niet voor hem kunnen zorgen. Kijk maar naar programma’s als ‘Spoorloos’,” licht Van den Bergh toe. “Dit betekent echter niet dat het kind bij zijn ouders wil wonen. De reden dat zoveel hulpverleners hameren op verplichte bezoekregelingen heeft eerder te maken met hun opleiding in het verleden, toen bijvoorbeeld de opvattingen van Nagy (1) een belangrijke rol speelden. Deze opvattingen zijn wijdverbreid, maar zijn nooit door onderzoek ondersteund. Het lijkt eerder op het aanhangen van een ideologie.

Wat dat betreft is ‘Pleegzorg in perspectief’ een waardevol overzicht van de huidige stand van zaken in pleegzorg. De huidige en de nieuwe lichting hulpverleners heeft nu een overzicht van aangetoond werkende opvattingen. Daarmee kan de kwaliteit van pleegzorg de komende jaren toenemen.”

Ook voor pleegouders
In 2009 kreeg Peter van den Bergh de ‘Piet Vroon Populariteitsprijs’. Een prijs die binnen de Leidse universiteit eens in de vier jaar wordt uitgereikt aan een medewerker die wetenschappelijk onderzoek toegankelijk onder de aandacht brengt van een breed publiek. Wat weet de gemiddelde Nederlander over pleegzorg en wat zouden ze moeten weten? “Men weet veel te weinig over pleegzorg,” vindt Van den Bergh. “Zelfs in mijn directe omgeving, waar men weet welk werk ik doe. Mensen hebben vooroordelen over gemankeerde kinderen, over ‘criminelen’ in huis halen of andermans ellende. Ook hier ligt nog een schone taak voor Pleegzorg Nederland. Verder moet de voorlichting aan beginnende pleegouders nog beter worden. Je hoort als pleegouder te weten welke achtergrond een kind en zijn gezin heeft. Ik zie nog vaak dat op grond van de privacy van ouders informatie niet verstrekt wordt. Dit levert zoveel ellende op voor pleegouders en kind!”

Van den Bergh hoopt dat niet alleen beroepskrachten het boek zullen lezen. “Het is ook voor pleegouders bedoeld. Zij kunnen zich ondersteund voelen door de uitkomsten die zijn beschreven. Pleegouders moeten zich gehoord voelen. De teneur van pleegouders die geen rechten hebben en hun mond dus moeten houden, vind ik verschrikkelijk. Juist pleegouders denken in het belang van het kind, ze zijn een commitment aangegaan. Hulpverleners denken veel meer vanuit het belang van de ouders. Als pleegouders mijn boek ervaren als een hart onder de riem, is mijn missie geslaagd!”

(1) Nagy was een Hongaars-Amerikaans psychiater die schreef over de loyaliteit van het kind ten opzichte van zijn ouders. In zijn ogen was de relatie met de eigen ouders het belangrijkste en niet te vergelijken met de relatie van een kind met zijn pleegouders. Deze relatie was altijd minder van kwaliteit.


Tags: ,