De bijzondere curator

“Nouria is veertien jaar en staat onder toezicht. Zij is van huis weggelopen en wil onder geen beding terug naar haar ouders. Ze geeft aan dat haar vader haar heeft mishandeld. Ze is opgevangen door de ouders van een schoolvriendin. Na screening en onderzoek door de zorgaanbieder van pleegzorg wordt de plaatsing omgezet in een formeel geaccepteerde pleeggezinplaatsing. Hierdoor krijgen de pleegouders pleegvergoeding en begeleiding. De met gezag belaste ouders van Nouria willen een omgangsregeling met hun dochter. Nouria geeft bij de gezinsvoogd aan dat zij dit absoluut niet wil. De gezinsvoogd schakelt een therapeut in. Deze start gesprekken met Nouria en haar ouders. Nouria blijft volhouden geen omgang te willen met haar ouders. De ouders verzoeken de kinderrechter om een omgangsregeling met hun dochter vast te stellen. De rechter stelt een gefaseerde omgangsregeling vast waarbij het contact langzaam onder aanwezigheid van hulpverleners kan worden opgebouwd. Nouria is het hier niet mee eens.

Met behulp van de pleegouders en de pleegzorg schrijft zij een brief naar de kinderrechter dat zij het niet eens is met deze regeling. Zij verzoekt de rechter om een bijzondere curator te benoemen. In dit geval is een advocaat nodig omdat zij in hoger beroep wil gaan tegen deze omgangsregeling. De rechter wijst het verzoek tot benoeming van een bijzondere curator, in dit geval een advocaat (1), toe. De advocaat stelt als bijzondere curator voor Nouria hoger beroep in.”

In het geval van Nouria is duidelijk sprake van een conflict van belangen tussen haar en haar ouders met gezag. De botsende belangen hebben betrekking op opvoeding en verzorging en de aard van de belangenstrijd leent zich voor benoeming van een bijzondere curator. Er is immers sprake van een wezenlijk conflict: de ouders willen omgang met hun dochter, maar hun dochter wil dat absoluut niet. In deze situatie is wettelijke vertegenwoordiging van Nouria in rechte door haar ouders met gezag onmogelijk. De belangen van de ouders en die van de minderjarige zijn letterlijk tegengesteld. De ouders zijn degenen die hoger beroep kunnen instellen tegen deze beslissing van de kinderrechter, maar zullen dat uiteraard niet doen. Zij hebben immers het verzoek tot vaststelling van de omgangsregeling ingediend.

De gezinsvoogd (Bureau Jeugdzorg) kan niet tegen deze omgangsregeling in hoger beroep gaan, omdat er geen sprake is van een vastgestelde omgangsregeling in het kader van de uithuisplaatsing (2), maar van een regeling verzocht door de ouders (3). Bureau Jeugdzorg kan bovendien alleen wijziging van deze door de rechter vastgestelde regeling verzoeken aan de kinderrechter, wanneer Bureau Jeugdzorg ‘gewijzigde omstandigheden’ kan aanvoeren. De kosten van de bijzondere curator worden door de staat vergoed.

(1) In dit geval is een advocaat als bijzondere curator benoemd. Andere personen kunnen ook als bijzondere curator worden benoemd, zoals een psycholoog of een pedagoog. Dit is afhankelijk van de aard van het belangenconflict en van de opdracht die aan de bijzondere curator door de rechter wordt gegeven.

(2) Dit is een omgangsregeling op grond van artikel 1:263a BW.

(3) Dit is een omgangsregeling op grond van artikel 1:377a BW.

Mariska Kramer is werkzaam als advocaat voor het Leger des Heils Jeugdzorg & Reclassering en werkt als zelfstandig advocaat in Amsterdam aan de Middenweg 57a.


Tags: ,