Uitval pleegpubers valt te voorspellen

Auteur: Simon van Oijen  

Dit voorjaar verscheen er een onderzoek naar breakdown (voortijdige beëindiging) en de ontwikkeling van adolescente pleegkinderen bij langdurige pleegzorgplaatsingen. Naar aanleiding van dit onderzoek verscheen de volgende krantenkop: ‘Risico schadelijke breakdown in pleegzorg simpel te verkleinen’. De werkelijkheid ligt uiteraard genuanceerder en dat licht onderzoeker Simon van Oijen toe in dit artikel.

De (vraag naar) pleegzorg blijft groeien en ook in 2009 is het aantal geplaatste pleegkinderen weer toegenomen. Pleegzorg Nederland stelt in haar factsheet over 2009 vast dat het aantal kinderen dat gebruik maakt van pleegzorg in het afgelopen decennium meer dan verdubbeld is. In 2009 zijn nagenoeg 9000 nieuwe pleegzorgplaatsingen gerealiseerd, waarvan ruim een kwart ouder is dan elf jaar. Een aanzienlijk deel van deze pleegkinderen wordt in ‘langdurige’ pleegzorg geplaatst. Er is nog weinig bekend over het verloop van deze pleegzorgplaatsingen.

Het onderzoek
Mijn onderzoek ging hierop in en betrof specifiek het verloop van langdurige pleegzorgplaatsingen van adolescente pleegkinderen. Hierbij wilde ik onder andere een antwoord vinden op de vragen:

1. Welk deel van de pleegzorgplaatsingen van adolescente pleegkinderen wordt ongunstig voortijdig beëindigd, oftewel eindigt in een breakdown?
2. Welke factoren voorspellen zo’n breakdown?
3. Hoe ontwikkelen de adolescente pleegkinderen zich tijdens de pleegzorgplaatsing?

Om antwoord te vinden op deze onderzoeksvragen zijn 92 startende plaatsingen van pleegkinderen in de leeftijd van elf tot zeventien jaar anderhalf jaar lang gevolgd. In deze periode heb ik op twee momenten in het pleeggezin diverse pleegkind- en pleeggezinkenmerken gemeten. Gemiddeld vier maanden na start van de plaatsing en anderhalf jaar later.

Tot slot werd, na informatie bij pleegouders en pleegzorgwerkers te hebben ingewonnen, van elke plaatsing het uiteindelijke plaatsingsverloop vastgesteld. Dit hield in dat de plaatsingen werden ingedeeld in de categorie ‘gepland verloop’ of ‘breakdown’. Tot de categorie ‘gepland verloop’ behoren de plaatsingen waarbij het pleegkind tijdens de tweede meting nog in het pleeggezin verblijft én de plaatsingen die op dat moment gunstig voortijdig beëindigd zijn.

Een plaatsing is gunstig voortijdig beëindigd als pleegouders en pleegzorgwerker beiden aangaven dat de beëindiging op positieve gronden was gebaseerd. Bijvoorbeeld omdat het pleegkind (begeleid) op zichzelf gaat wonen. Een plaatsing werd als een breakdown beoordeeld indien de plaatsing gedurende de looptijd van het onderzoek op negatieve gronden werd beëindigd door de pleegouder(s), het pleegkind en/of de pleegzorgwerker.

Breakdown
Het doel van langdurige pleegzorgplaatsingen is doorgaans het bieden van een stabiele leef- en opvoedingssituatie waarin het pleegkind zich zo gunstig mogelijk kan ontwikkelen. De gedachte hierachter is dat stabiliteit en continuïteit in leef- en opvoedingssituatie een onmisbare voorwaarde is voor de ontwikkeling van de kinderen. Wisselingen daarin brengen risico’s mee voor de ontwikkeling van de jeugdige. Eerder onderzoek naar het verloop van pleegzorgplaatsingen in Nederland laat zien dat deze stabiliteit en continuïteit voor een aanzienlijke groep pleegkinderen niet wordt gerealiseerd. Strijker en Zandberg (2001) stellen vast dat in Nederland ongeveer 30% van de langdurige pleegzorgplaatsingen ongunstig voortijdig wordt beëindigd, oftewel eindigt in een breakdown. Recent onderzoek naar het aantal verplaatsingen, wisseling van de ene woonsituatie naar de andere, die pleegkinderen meemaken, laat zien dat voor minder dan de helft van de pleegkinderen het verblijf in het huidige pleeggezin de eerste pleegzorgplaatsing is. Ruim 20% van de pleegkinderen heeft al één eerdere plaatsing meegemaakt en een derde van de pleegkinderen twee of meer plaatsingen (1).

In mijn onderzoek blijkt van de 92 onderzochte pleegzorgplaatsingen 51 plaatsingen (55,4%) tijdens de onderzoeksperiode beëindigd te zijn. Bij 42 (45,7%) van deze plaatsingen is er sprake van een breakdown. Een fors en schokkend percentage, maar (helaas) weinig verrassend. Zo toont eerder onderzoek dat de kans op een breakdown bij kinderen die op oudere leeftijd in een pleeggezin worden geplaatst toeneemt en zijn er in buitenlandse studies voor adolescente pleegkinderen breakdownpercentages van 40 tot 53% berekend.

Samenhang kenmerken plaatsing
Naast het signaleren van een breakdown was ik geïnteresseerd in het voorspellen van een breakdown. Kennis over (een combinatie van) pleegkind- en pleeggezinkenmerken die in relatie staan tot een breakdown kan misschien het aantal afgebroken plaatsingen verminderen. Tijdens het onderzoek kon ik lang niet alle beïnvloedende kenmerken onderzoeken. Ik leg dit uitgebreid uit in mijn proefschrift (2) en richtte mij in het onderzoek op kenmerken die ik vanuit literatuurstudie had gevonden. Deze kenmerken staan in Tabel 1.

Om vast te stellen welke (combinatie van) pleegkind- en pleeggezinkenmerken het plaatsingsverloop voorspellen, is voor elk van deze kenmerken onderzocht of deze samenhangt met het plaatsingsverloop. In Tabel 1 worden de resultaten getoond. In de eerste kolom staan de onderzochte pleegkind- en pleegouderkenmerken en in de tweede kolom of er wel of geen samenhang met het plaatsingsverloop is gevonden voor het betreffende kenmerk. Het pleegkindkenmerk ‘verblijf’ gaat over de hulpverleningsgeschiedenis van het pleegkind. Bij elk pleegkind is gekeken of het voorafgaande aan de pleegzorgplaatsing wel of niet enige tijd in een tehuis verbleef.

Uit de tabel blijkt dat er voor diverse pleegkindkenmerken een samenhang gevonden is met het plaatsingsverloop. Deze zijn: de leeftijd van het pleegkind, het type onderwijs, het verblijf van het pleegkind voorafgaand aan de actuele plaatsing, het door de pleegouder gerapporteerde probleem­gedrag en het door het pleegkind zelf gerapporteerde probleemgedrag. Het risico op een breakdown neemt toe indien het pleegkind bij aanvang van de plaatsing ouder is, speciaal onderwijs volgt, voor de huidige plaatsing in een tehuis verbleef en er (meer) gedragsproblemen zijn.

Wat betreft de onderzochte pleegouderkenmerken bleek enkel voor twee opvoedingsscores (dimensies controle en ondersteuning) een samenhang gevonden met het verloop van de plaatsing. Hierbij geldt dat voor pleegouders die hoger scoorden op de opvoedingsvragenlijst, dat wil zeggen, de opvoedingstaken behorende bij de beide dimensies meer benadrukten, de kans op een breakdown kleiner is. Het type pleeggezin (bestand of netwerk) bleek niet met het plaatsingsverloop samen te hangen. Dit gold ook voor onder andere de leeftijd van de pleegouders, de aanwezigheid van andere kinderen in het pleeggezin en het aantal jaren pleegzorgervaring van de pleegouders.

Breakdown voorspellen?
Vervolgens is onderzocht of het plaatsingsverloop kan worden voorspeld met een model op basis van een combinatie van verschillende pleegkind- en pleeggezinkenmerken. Let wel dat het hierbij gaat om kenmerken die bij de eerste meting zijn verzameld, dus al snel na aanvang van de plaatsing. Ik heb een aantal modellen vastgesteld en onderzocht, voor een overzicht hiervan verwijs ik naar mijn proefschrift. In dit artikel geef ik het model dat de meest accurate voorspelling van het plaatsingsverloop leverde. Dit bleek een model met de volgende pleegkindkenmerken:

• Externaliserend probleemgedrag (volgens de pleegouder);
• Internaliserend probleemgedrag (volgens het pleegkind zelf);
• Leeftijd van het pleegkind bij aanvang van de plaatsing;
• Het type onderwijs (regulier of speciaal onderwijs) dat het pleegkind volgt.

Met behulp van dit model werd voor 79,5% van de plaatsingen het plaatsingsverloop correct voorspeld. Dit wil zeggen dat voor nagenoeg tachtig procent van de plaatsingen correct kan worden voorspeld of de plaatsing zoals gepland zal verlopen dan wel zal eindigen in een breakdown.

Wat levert het onderzoek op?
Mijn onderzoek heeft aangetoond dat een aanzienlijk deel van de plaatsingen van adolescente pleegkinderen eindigt in een breakdown. Dit is zorgelijk en zo’n breakdown heeft veel impact op alle betrokkenen. Er zijn echter kenmerken van de pleegzorgplaatsing bekend waarmee we het verloop van de plaatsing proberen te voorspellen. Indien de betrokken pleegzorgmedewerkers voorafgaand of tijdens een plaatsing meerdere risicofactoren signaleren, is het van belang dat bij hen ‘waarschuwingslampjes’ gaan branden. Actuele informatie van pleegouders (en pleegkind) is hierbij essentieel. Systematisch het emotioneel en gedragsmatig functioneren van de pleegkinderen tijdens de pleegzorgplaatsing inventariseren, kan hierbij helpen. Daarmee zijn we er nog niet. Bij constatering van een toename van het risico op een breakdown moet er op korte termijn extra hulpverlening worden ingezet, om te proberen een breakdown te voorkomen. Daarnaast is verder onderzoek naar de pleegzorg en het verloop van pleegzorgplaatsingen noodzakelijk om de kans op een breakdown te verminderen. Met behulp van praktijkgestuurd onderzoek hoop ik hier de komende jaren aan bij te dragen.

Simon van Oijen promoveerde op 21 januari 2010 aan de Rijksuniversiteit Groningen op het proefschrift ‘Resultaat van pleegzorgplaatsingen. Een onderzoek naar breakdown en de ontwikkeling van adolescente pleegkinderen bij langdurige pleegzorgplaatsingen’. Op dit moment werkt Simon bij Yorneo, jeugdzorgaanbieder in Drenthe, als gedragswetenschapper bij de afdeling Pleegzorg en als onderzoeker bij de onderzoeksafdeling PIONN.

(1) S. van Oijen & J. Strijker (2010). Verplaatsen van kinderen. In Van den Bergh, P. & Weterings, T. (Eds.), Pleegzorg in perspectief. Ontwikkelingen in theorie en praktijk.

(2) S. van Oijen (2010). Resultaat van pleegzorgplaatsingen. Een onderzoek naar breakdown en de ontwikkeling van adolescente pleegkinderen bij langdurige pleegzorgplaatsingen. Academisch proefschrift. Groningen: Rijksuniversiteit Groningen.


Tags: ,