Zeven tips voor docenten

•  Een pleegkind woont (tijdelijk) bij een ander in huis, omdat zijn eigen ouders onvoldoende veiligheid konden bieden om op te groeien. Bij de helft van de pleegkinderen is er sprake van gedragsproblemen, maar bij de andere helft zeker niet.

•  Laat de leerling weten dat u voor hem klaar staat als hij wil praten over dingen die hem dwars zitten, maar dring uzelf niet op.

•  Neem altijd contact op met de pleegouders als het gedrag of de ontwikkeling van het kind u zorgen baart.

•  Als u van plan bent een stamboom te maken met de leerlingen of een ander onderwerp aan de orde te stellen dat uw leerling confronteert met zijn afkomst, zoek naar mogelijkheden waar het pleegkind mee uit de voeten kan. Geef eventueel een andere opdracht.

•  Niet alle kinderen hebben een moeder (voor handen) om dingen aan te vragen. Wees je daar bewust van als je in de klas zegt “Vraag dat even aan je moeder”.

•  Kinderen met een hechtingsstoornis, en veel pleegkinderen hebben daar last van, moeten niet vanuit de relatie benaderd worden, maar vanuit de structuur. Volwassenen zijn inwisselbaar. Ze werken niet voor je omdat je aardig bent.

•  Zorg voor goed sluitende afspraken en controleer ze. Pleegkinderen hebben veel ervaring om tussen de verschillende ouders door te manoeuvreren en toch hun eigen gang te gaan.


Tags: , ,