Weer een minister voor Jeugd en Gezin?

Het vierde kabinet Balkenende diende in februari na drie jaar haar ontslag in. Begin juni waren de verkiezingen en de verwachting is dat de onderhandelingen over een nieuw kabinet niet snel afgerond zijn. Een in het oog springende vernieuwing van Balkende IV was het programmaministerie voor Jeugd en Gezin. Voor het eerst viel pleegzorg direct onder een minister. Minister Rouvoet liet overal horen een groot voorstander te zijn van pleegzorg. Is dit ook vertaald in zijn beleid? Enkele partijen uit de pleegzorg reageren op de vraag wat Rouvoet en zijn programmaministerie hebben opgeleverd voor de pleegzorg.

Bij aanvang van zijn termijn nodigde de minister de Nederlandse Vereniging voor Pleeggezinnen (NVP) uit voor een gesprek. “Hij vertelde over zijn plannen en we raakten overtuigd van zijn goede intenties,” vertelt Maria de Vries, directeur van de NVP. “Wel vonden we dat hem een zware klus te wachten stond.” Dat die klus zwaar was, blijkt misschien ook wel uit het uitblijven van grote resultaten in zijn ministerschap. De NVP: “Er is vooral veel aandacht gekomen voor jeugd- en pleegzorg. Niet alleen dankzij de minister en zijn programmaministerie, maar ook door lobbywerk bij Tweede Kamerleden.” Pleegzorg Nederland, de overkoepelende organisatie van de pleegzorginstellingen in ons land, vond de komst van het programmaministerie voor Jeugd en Gezin heel bijzonder. Woordvoerder René de Bot: “Het duidt erop dat er extra aandacht is voor de jeugd, dat is een heel goede ontwikkeling en past bij het tijdsbeeld. De minister heeft uitgedragen dat hij het juist vindt als er zoveel mogelijk kinderen thuis geholpen kunnen worden en hij is een groot voorstander van pleegzorg als een kind niet meer thuis kan blijven. Hij wil een zo gewoon mogelijke situatie voor elk kind.”

Vergoedingen
Belangrijke peilers van het programmaministerie waren de verhoging van de vergoedingen voor pleegouders en de positie van pleegouders. Naar de smaak van de NVP zijn deze echter nog steeds niet goed geregeld. “Over de vergoeding hebben we een notitie geschreven met als titel ‘Sigaar uit eigen doos?’,” vertelt De Vries. In die notitie staat onder meer dat er nu nog voor aanvullende kosten een aparte vergoedingsregeling is. Het is onduidelijk of dit soort kosten straks, wanneer deze extra vergoeding van € 0,55 naar € 2,74 per dag is gegaan, moet worden betaald van deze vergoeding. Als deze extra kosten moeten worden betaald uit de extra vergoeding, dan betekent dit dat pleeggezinnen er per saldo op achteruit gaan in plaats van vooruit. Ook de verbetering van de positie van pleegouders was een belangrijk speerpunt voor Rouvoet. Drie jaar later ligt er echter nog steeds alleen maar een wetsvoorstel met betrekking tot adviesrecht. Pleegzorg Nederland is tevreden dat er extra geld is gekomen voor de pleegouders, maar had de minister geadviseerd om het extra geld aan de instellingen voor pleegzorg ter beschikking te stellen, zodat deze konden bepalen welke pleeggezinnen extra geld nodig hebben. René de Bot: “Je maakt niet voor ieder kind evenveel kosten. Dat systeem leek de minister echter te ingewikkeld. Pleeg­zorg Nederland betreurt dat.”

Wachtlijsten
Een blok aan het been van de minister waren de wacht­lijsten. Opvallend genoeg beperkte de discussie zich voornamelijk tot de aantallen die moesten afnemen en ging het minder over oorzaken en kwaliteit. Pleegzorg Nederland: “De minister is er in 2009 van uitgegaan dat door extra geld de wachtlijsten in de jeugdzorg aan het eind van het jaar weggewerkt zouden zijn. Dat doel is niet gehaald, de vraag naar jeugdzorg blijft toenemen. Er wordt nu veel extra geld gestoken in de Centra voor Jeugd en Gezin om in gezinnen preventief hulp te kunnen bieden in de hoop dat uithuisplaatsingen voorkomen worden. Op korte termijn zal dat geen effect hebben, want er zijn voor de kinderen met echt grote problemen zwaardere middelen nodig. Misschien dat op langere termijn de preventieve hulp wel effect zal sorteren, maar om dat te weten zijn de Centra voor Jeugd en Gezin er nog niet lang genoeg.”

Cliënten in de jeugdzorg
Het Landelijk Cliëntenforum Jeugdzorg (LCFJ) is een organisatie die de belangen behartigt van de cliënten in de jeugdzorg, oftewel kinderen, jongeren en/of hun ouders. Het LCFJ ziet in het nieuwe kabinet graag weer een minister voor Jeugd en Gezin, ook als het aantal programma­ministeries gereduceerd wordt. De organisatie wil zich niet alleen laten horen als het ergens misgaat, maar heeft ook een programma geschreven met daarin wat zij nodig acht voor kwalitatief goede jeugdzorg. Daarbij gaat het om goede communicatie en samenwerking tussen professional en cliënten, waarbij de vraag het uitgangspunt is. Ook moet de jeugdzorg zo licht, zo dichtbij en zo kort mogelijk zijn en aansluiten op de hulpvraag. Verder dient het leeftijds­criterium voor jeugdzorg afgeschaft te worden. Het LCFJ heeft haar programma naar alle politieke partijen gestuurd. Het programma is in te zien op www.lcfj.nl.

Beleid voor jeugd
Terwijl het kabinet viel, sprak de parlementaire werkgroep toekomstverkenning jeugdzorg met vertegenwoordigers
uit de jeugdzorg. Zowel deze werkgroep als de minister presenteerden dit voorjaar hun visie op de toekomst. Het is de vraag wat een nieuw kabinet met deze informatie doet. Met name in de visie van Rouvoet is een grote rol weg­gelegd voor het Centrum voor Jeugd en Gezin, zijn paradepaardje. Staat een nieuw kabinet daar ook achter? De NVP maakt zich zorgen: “Er komt als deze plannen doorgaan een scheiding tussen vrijwillige en justitiële plaatsingen. Voor zorg en ondersteuning worden pleegouders met een vrijwillige plaatsing, waar geen indicatie voor is afgegeven, straks voor de financiën terugverwezen naar de ouders of de gemeente. Voor een justitiële plaatsing blijft de verantwoordelijkheid bij het ministerie van justitie en blijven de bestaande regelingen gelden.” De organisatie maakt zich ook zorgen over voorstellen die in mei in de Tweede Kamer werden gedaan om de eisen aan pleegouders te verhogen. De MOgroep, de brancheorganisatie voor de jeugdzorg, staat achter deze eisenverzwaring. Maria de Vries: “De eisen worden bijna absurd, professionals worden zelfs niet zo gescreend. Voor pleegouders is het belangrijk vertrouwen te kunnen hebben in het beleid, dat maakt dat pleegouders dit vertrouwen uit kunnen dragen.” Ook deze voorstellen worden doorgeschoven naar een volgend kabinet. Gelukkig ligt niet alles stil. “In nauwe samenwerking met het ministerie wordt hard gewerkt aan een nieuwe pleegzorgcampagne,” vertelt René de Bot. “Dat is heel fijn, de verwachting is dat de nieuwe campagne in december of januari van start gaat.”

Nieuw kabinet
Zowel de NVP, het LCFJ als Pleegzorg Nederland hopen dat ook in het nieuwe kabinet een minister voor Jeugd en Gezin aantreedt. René de Bot: “Op ons verlanglijstje staat weer het vroegtijdig helpen van ouders om erger te voor­komen, maar zeer zeker ook voldoende aandacht voor kinderen met ernstige problemen. Voor die kinderen moeten er speciaal toegeruste pleegouders zijn en die moeten dan ook beloond worden naar de prestatie die zij leveren. Daar wordt weleens te gemakkelijk over gedacht. Verder zijn er helaas kinderen die door hun problematiek langdurig een residentiële plaats nodig hebben en ook voor hen moet er voldoende aandacht en zorg zijn.” Maria de Vries kent geen goede argumenten voor het stopzetten van het programmaministerie: “Het is duidelijk waar het voor staat en wie het beleid voert. Dat alleen al is toegevoegde waarde.”

Geachte minister,

Op het moment dat ik dit schrijf moeten de verkiezingen nog plaatsvinden en als deze Mobiel uitkomt, is er waarschijnlijk nog geen nieuw kabinet. In dat geval hoop ik dat een oplettende ambtenaar dit blad ergens op een stapel legt. Immers, als hulp aan een kind kan wachten tot er tijd voor is, dan moet dat met iets simpels als deze tekst ook kunnen. Dat is namelijk waar ik aan u over wil schrijven, over moeten wachten.

Wachten is een ramp binnen de hulpverlening!

Om hulp te gaan zoeken, moeten mensen vaak een hoge drempel over. Als eenmaal duidelijk is dat extra steun nodig is, gaat het dossier echter van bureau naar bureau (als je iemand eenmaal aanneemt heb je ‘zorgplicht’, dus eerst kijken of er geen rotte appels in de mand zitten). Aan het eind van die keuringen is er de wachtlijst. Wanneer er uiteindelijk een hulpverlener
binnenstapt, is de situatie er veelal niet beter op geworden. Bij kinderen in de jeugdzorg spelen er vaak verschillende problemen. Problemen die elkaar versterken. Dus niet enkel problemen in de opvoeding, maar ook schulden thuis, een psychiatrisch probleem bij de ouders of spijbelen van school. Als je dan voor maar één probleem hulp krijgt, lost dat het geheel eigenlijk niet op.

Voor iedere vorm van hulp is er tegenwoordig echter een aparte hulpverlener. Een hulpverlener wordt immers geacht zich te houden aan zijn/haar specifieke opdracht. Voor iedere hulpvorm is er weer een eigen wachtlijst. Dus start de pleegzorg na drie maanden, dan kan het best zo zijn dat er pas na negen maanden plek is bij de schuldhulpverlening. Zonde, want zonder het complete hulpaanbod lossen de problemen zich niet op.

Toch hebben wij als hulpverleners die wachtlijsten nodig. Liever dat iemand een maand op ons moet wachten, dan andersom. Geen hulp kunnen geven, is immers geen geld krijgen. Ook bij reorganisaties en bezuinigingen bewijzen wachtlijsten hun nut. Als er een groot aantal cliënten in de rij staat, maakt dat meteen duidelijk dat hier geen personeel weg kan. Wil een project verder uitbreiden, dan moet er eerst aangetoond worden dat er vraag naar is. Oftewel: dat er een wachtlijst is.

Geachte minister, ik weet niet of ze het u hardop durven vertellen, maar: die wachtlijsten, die gaan niet weg. Die hebben een functie. Voor hulpverlening is een zekere kwaliteit nodig, die is door de huidige financiële en organisatorische versnippering en bureaucratie behoorlijk uitgehold.

Hoogachtend,
Peter Stallenberg
redactielid Mobiel


Tags: ,