Pleegkinderen op het voortgezet onderwijs

De Goudse Waarden is een grote scholengemeenschap met alle onderwijsniveaus. Op de afdeling havo/vwo zitten ongeveer 1200 leerlingen. De brugklassen hebben een eigen locatie. Hier vindt het gesprek plaats met mevrouw Den Hollander, schoolcounselor en vertrouwenscontactpersoon. We spreken met haar over pleegkinderen op deze school.

Mevrouw Den Hollander heeft geen idee hoeveel pleegkinderen er op deze school zitten. Ze weet er een in de brugklas en een in de tweede. Ze ontdekt tijdens het gesprek dat er op school nog nooit stil­gestaan is bij het feit dat niet alle kinderen bij hun ouders wonen en dat dat consequenties kan hebben voor leren en gedrag. Als er op een van die gebieden problemen ontstaan, zijn er mogelijkheden voor signalering en hulp. In de eerste plaats signaleert de mentor problemen en praat erover met de leerling. Als dat niet voldoende helpt, zijn er testmogelijkheden, een schoolmaatschappelijk werker en mogelijkheden om externe hulp in te schakelen. Deze mensen werken samen in een zorgadviesteam (ZAT).

Leerlingen met een ‘rugzakje’ (voor wie de school budget krijgt voor extra ondersteuning) komen in het ZAT aan de orde. De school kan meteen extra begeleiding bieden als de leerling bij zijn komst op school al een rugzakje heeft. De overgang naar het voortgezet onderwijs is bijvoorbeeld voor autistische leerlingen erg moeilijk. Met een rugzakje kunnen ze een uur in de week begeleiding krijgen van een vaste persoon. Moet de school zelf een rugzakje regelen, dan is er vaak al een jaar voorbij. De mentor en de brugklascoördinator weten door het inschrijfformulier dat een kind in een pleeggezin woont. De mentor houdt het kind dan ook extra in de gaten en kan zorgen dat andere docenten dit te weten komen. Mevrouw Den Hollander hoort het niet of een leerling pleegkind is, ze vindt het echter wel belangrijk en maakt een aantekening over onderwerpen waar de school eens over na zou moeten denken. Het pleegkind-zijn kan een rol spelen bij opdrachten over erfelijke eigenschappen of over de levensgeschiedenis van een leerling. Er is op school geen protocol voor pleegkinderen. Pleeg­kinderen worden als ‘gewone’ kinderen behandeld. Als er iets niet goed gaat, is er een fors netwerk in en buiten de school om het kind zo goed mogelijk te begeleiden.

Wat kunnen pleegouders zelf doen?

Op mijn vraag hoe een pleegouder kan bijdragen aan wat de school moet weten, is ze heel duidelijk. Aan het begin van ieder schooljaar de nieuwe mentor bellen en telefonisch of op afspraak vertellen wat de school moet weten om de leerling op een goede manier te steunen bij zijn leerproces. Ze kent geen voorbeelden van valkuilen van docenten met pleegkinderen in de klas. De voorbeelden van kinderen die helemaal nooit iets vertellen over thuis en degenen die de hele dag met verhalen aandacht scoren, herkent ze vooral als beeld van algemeen welbevinden op de school. Ze weet niet of er weleens contact is met pleegzorgwerkers of voogden. Afdelingsleiders en leerjaarcoördinatoren weten hoe het met privacy zit en welke rechten ouders hebben.

Relatief weinig pleegkinderen

Al nadenkend hebben we de indruk dat op havo/vwo-niveau misschien minder pleegkinderen zitten dan op het vmbo en dat degenen die er zitten redelijk weerbaar zijn. Een intelligenter kind heeft meer ruimte om over zaken na te denken en meer mogelijkheden om school en problemen te scheiden.

Ze weet niet welke informatie een school nodig heeft om pleegkinderen te begeleiden en welke ondersteuning bruikbaar zou zijn. Als ik vertel dat er voor de basisschool een boekje is met tips en uitleg voor leerkrachten, lijkt dat voor het voortgezet onderwijs ook een zinvol idee. Ze is wel geïnteresseerd in wat nu de grootste problemen zijn voor een pleegkind op de middelbare school. Structuur, zelfstandigheid, wankel fundament, grote verwarring over identiteit en hechtingsproblemen herkent ze allemaal en de vergelijking met adoptiekinderen en hun soms heftige puberteit is gauw gemaakt. Afsluitend zijn we beiden wat geschrokken en constateren we dat uitdeelinformatie voor het voortgezet onderwijs zinvol zou zijn en dat deze school het onderwerp pleegzorg op de agenda moet zetten.

Nawoord

Na afloop van dit interview is er in het ZAT gesproken over pleegkinderen op school en is men tot de conclusie gekomen dat er eigenlijk nooit problemen zijn geweest door het ontbreken van een protocol pleegzorg.

Dit komt omdat er een goed signaleringssysteem is en een breed netwerk zorg. Als er problemen ontstaan met pleegkinderen worden dezelfde acties ondernomen als bij andere kinderen. Wel is besloten dat het goed is om pleegkinderen meer in beeld te
krijgen. In de taakomschrijving van de mentor komt te staan dat de mentor aan het begin van het schooljaar contact op moet nemen met pleegouders om telefonisch of persoonlijk te bespreken of de leerling bijzondere begeleiding nodig heeft. Ook is er een mogelijkheid voor gesprekken met de counselor. Het is niet verplicht, omdat pleegkinderen vaak al een heel traject van begeleiding achter de rug hebben en geen zin hebben in nog meer gesprekken.

======
KADER
======

•Een schoolcounselor is een vakdocent die twee jaar een cursus van een dag in de week heeft gevolgd.
•Een zorgcoördinator is de voorzitter van het zorgadviesteam (ZAT). Hij coördineert de begeleiding van leerlingen met een persoonsgebonden budget, vraagt rugzakjes, voert intakegesprekken met ouders en begeleidt leerlingen.
•Het doel van het ZAT is ernstige problemen zo vroeg mogelijk signaleren en snel gepaste zorg bieden. Het ZAT bestaat uit de counselors, de orthopedagoog, de sociaal verpleegkundige van de school, een jeugdhulpverlener van Bureau Jeugdzorg, de schoolmaatschappelijk werker en de leerplichtambtenaar. Het ZAT vergadert eenmaal per maand.
•De coördinator zorg beheert de portefeuille Zorg en is er eindverantwoordelijk voor. Hij is voorzitter van de vergaderingen met betrokkenen bij zorg, hij organiseert studiedagen zorg, bijscholing voor mentoren en ouderavonden voor ouders van zorgleerlingen. Ook het functioneren van het leerlingvolgsysteem en het ontwikkelen van beleid valt onder zijn verantwoording.

Waarom lijkt er op scholen voor havo/vwo minder aandacht te zijn voor of minder problemen te zijn met gedrag van (pleeg)kinderen? Ambulant begeleider Pia Choufoer (zie ook artikel pagina 13): “Cognitie is een grote
compensatie, maar ook een valkuil: je komt pas veel later achter problemen. Scholen voor havo/vwo en docenten zijn minder gericht op sociaal-emotionele aandacht en zorg. Twee jaar geleden kwam ik op een lyceum dat als
uitgangspunt had: ‘Een zorgcoördinator? Niet nodig, op de havo zijn er geen zorgleerlingen!’ Als leerlingen minder presteerden werd eerder gekozen voor een lager schooltype, omdat ‘hij niet meekomt’ en minder omdat er andere problemen spelen. Pas de laatste tijd komt ook op deze scholen meer aandacht voor sociaal-emotionele problemen en worden zorgcoördinatoren aangesteld.”


Tags: , ,