Langere lijnen in samenwerking

Een pleegkind is op school niet altijd een zorgleerling. Mobiel praat met Pia Choufoer, ambulant begeleider, om een beeld te krijgen van hoe zorgen kunnen ontstaan op het voortgezet onderwijs en op het middelbaar beroepsonderwijs (mbo). Daarbij gaat het vooral om zorgen over gedrag dat voortkomt uit hechtingsproblemen.

Hoeveel pleegkinderen er begeleid worden binnen haar dienst van ongeveer 300 zorgleerlingen, is Pia niet bekend. Deze onbekendheid met aantallen, ook op scholen voor voortgezet onderwijs, vindt zij niet verontrustend: “Tegenwoordig is het zo dat je bijzonder bent in een klas als je niet iets bijzonders hebt.

In hoeverre mag van scholen verwacht worden dat algemene kennis over pleegkinderen aanwezig is?” Die kennis wordt pas relevant bij problemen en dan zal de mentor ingelicht moeten worden door pleegouders of pleegzorgwerker. Hoewel Pia het advies uit het artikel op pagina 11 en 12 aan pleegouders om ieder jaar de nieuwe mentor in te lichten, niet handig vindt, benadrukt ze dat dit wel noodzakelijk is. Over­drachtsbesprekingen tussen mentoren zijn er niet altijd en in de vergaderingen wordt vooral gesproken over cijfers. “Je zult als pleegouders ondervinden dat je op de basisschool goed kon samenwerken en dat dat op het voortgezet onderwijs veel moeilijker is, vanwege de langere lijnen en de grotere hoeveelheid docenten, ook al is er sprake van goede wil en een goede zorgstructuur.” Het regelmatig gehoorde uitgangspunt dat een leerling met ‘een schone lei’ een nieuw jaar in moet, vindt Pia onjuist: “Die schone lei kan ook met voorkennis van de achtergrond en de problematiek van een leerling: de professionaliteit van de docent bepaalt of een frisse start mogelijk is.”

Hechtingsproblematiek

In veel rapporten die Pia onder ogen krijgt, wordt gesproken over hechtingsproblematiek. Juist bij pleeg­kinderen, ook al zijn ze geen zorgleerling, kunnen hechtingsproblemen een rol spelen in hun gedrag. Een reden om stil te staan bij de kenmerken van deze problemen op school en daaruit voortkomende valkuilen.

Pia noemt een aantal gedragingen waarop leerlingen met hechtingsproblemen kunnen vastlopen op scholen voor voortgezet onderwijs:
•weinig motivatie voor leren, leerlingen lijken lui,
•leerlingen gaan hun eigen gang en houden zich minder aan de regels,
•ze laten boos en/of brutaal gedrag zien,
•leerlingen manipuleren en liegen,
•leerlingen kunnen last hebben van depressieve zelfgevoelens: ‘niemand geeft om mij’ of ‘het was beter als ik er niet was’.

Valkuilen

In de begeleiding van docenten merkt Pia vaak dat er op den duur teleurstelling ontstaat bij docenten die gepaard gaat met afwijzing. Voor pleegouders en pleegzorgwerkers is het belangrijk dit proces te herkennen en de teleurstelling te voorkomen en/of tijdig te signaleren en bespreekbaar te maken.

Voorbeelden van enkele valkuilen:

“Ik dacht dat ze het begreep!”

Docenten maken een relatie vaak persoonlijk en verwachten dat dat wederzijds is. Ze ervaren problemen van de leerling als een persoonlijke afwijzing en zien niet de onmacht van het kind. “Ik zie dat een leerling bij nieuwe docenten enthousiast start. Rond de kerst lukt het niet meer, want hij heeft teveel op zijn tenen moeten lopen en valt terug in het oude impulsieve en manipulerende gedrag. Dan ontstaat bij docenten die teleurstelling.” Pia waarschuwt echter voor een te negatieve beeldvorming vooraf: “Niet alle kinderen testen relaties zo heftig uit of breken ze af.”

“Er zijn veel ‘papa’s en mama’s’ die je kunt uitspelen tegen elkaar.”

Een school voor voortgezet onderwijs geeft veel vrijheid, er zijn veel docenten waarmee de leerling te maken krijgt. Leerlingen met hechtingsproblemen hebben vooral behoefte aan een goed sluitend netwerk met duidelijke afspraken: ‘Waarom loop jij op de gang?’ ‘Hmmm’, een half antwoord en doorlopen mag niet worden geaccepteerd. Alle afspraken en beslissingen lopen via één contactpersoon, meestal de mentor. De handhaving en controle van deze afspraken zal vooral (voortdurende) alertheid en inzet vragen van de pleegouders.

“Na inspanning moet het beter gaan!”

Sommige zaken los je niet op als docent, hoogstens bereik je iets rondom schoolresultaten. Docenten moeten echter wel constant extra inspanning leveren: “Het gedrag verbetert niet, de leerling blijft boos, ongemotiveerd, brutaal en manipulatief, dat kun je niet veranderen. Dat blijft lastig!” De inspanning moet er vooral op gericht zijn de leerling aan de gang te houden: ‘voor wat hoort wat’ is een goed uitgangspunt. Deze leerlingen handelen niet omdat ze je aardig vinden, maar omdat ze wat verdienen of iets bereiken wat nu even belangrijk voor hen is. Het is de kunst samen met de docent of mentor te zoeken naar die beloning op korte termijn.

“Hij komt er wel gemakkelijk mee weg, met al dat begrip”

Pia: “Wij kunnen niet invoelen hoe het zit met de onmacht van die leerling en ik begrijp ook wel dat er een gevoel kan ontstaan dat het begrip vooral een excuus vormt voor die leerling.” Als ze een vergelijking maakt met de begeleiding van leerlingen met autisme, dan ziet ze dat daar met concrete afspraken direct resultaat te boeken is. Gedragsproblemen zijn veel moeilijker, ook omdat ze de klas meer ontregelen. “Blijf reëel”, is de waarschuwing van Pia voor pleegouders en voor docenten. “Soms lukt het echt niet met leerlingen in het regulier voortgezet onderwijs en moeten ze doorverwezen worden naar het voortgezet speciaal onderwijs.”

Middelbaar beroepsonderwijs

Pia begeleidt op dit moment leerlingen op het mbo, haar uitgangspunt daarbij is: “Kies je strijdpunten.
Je kunt niet meer van alles een punt maken. Wat kun je negeren en wat moet, kom tot een soort minimumeisenpakketje.” Soms komt de motivatie met de jaren. “Er zijn ongelooflijk veel jongeren die niet weten wat ze willen en eindeloos rondzwalken binnen het mbo. Jongeren kunnen zich steeds opnieuw inschrijven, er is geen communicatie tussen opleidingen. Dit werk voelt voor haar nu nog als pionieren. Er zijn mbo-scholen die wel een goede zorgstructuur hebben. De meeste hebben echter nog weinig visie of beleid rondom omgang met zorgleerlingen. Pionierswerk op het mbo: ook dus voor pleegouders en pleegzorgwerkers!<

Pia is ambulant begeleider voor cluster vier (leerlingen met psychiatrische en/of gedragsproblemen) in het midden van het land. Haar taak is het begeleiden van docenten in het omgaan met zorgleerlingen. Een enkele keer begeleidt ze ook de leerlingen zelf. Op dit moment is ze vooral actief in het middelbaar beroepsonderwijs, daarvoor heeft ze jaren leerlingen begeleid in het voortgezet onderwijs.
Dit thema werd voorbereid door Willemien Kronenberg en Maud Verhoofstad. De tekeningen zijn van Judith Zijtregtop.


Tags: , ,