Plaatsing afgebroken, plaatsing mislukt?

Auteur: Jolanda Stellingwerff  

Eind augustus 2009 publiceerde Volks­krant Magazine een artikel over af­gebroken plaatsingen. “De helft van het aantal plaatsingen komt tot een voortijdig einde,” luidde de redacteur het artikel in. Twee hartverscheurende ervaringen van pleegouders met een mislukte plaatsing volgden. Enkele dagen later werd het artikel gerectificeerd: in plaats van een op de twee, ging het om een op de drie pleegzorgplaatsingen. Nog steeds ontzettend veel. Wat zegt zo’n cijfer eigenlijk en wat doen instellingen ermee?

Gaat het echt in een op de drie pleegzorgplaatsingen om kinderen die dusdanig beschadigd zijn dat een gewoon pleeggezin niet past en om pleegouders die over hungrenzen gaan? In de redactie van Mobiel zitten ervaren pleegouders en pleegzorgbegeleiders die dit beeld niet herkenden en geschokt reageerden: “Als het er zoveel zijn, waarom willen mensen dan nog pleegouder worden?”

Definitie is breed
Pleegzorg Nederland is de organisatie die namens alle pleeg­zorginstellingen voorlichting geeft en jaarlijks de cijfers publiceert over pleegzorg. Wat de journalist van Volkskrant Magazine niet vermeldde was wat precies bedoeld wordt met afgebroken plaatsingen.

“De definitie die wij hanteren is dat er van een afgebroken plaatsing sprake is als het pleegkind uit het pleeggezin vertrekt om andere redenen dan die uit het behandelingsplan of het bereiken van de leeftijd van achttien jaar,” vertelt Janette Reukers, landelijk voorlichter bij Pleegzorg Nederland. “Daar valt ook een pleegkind onder dat eerder dan verwacht terug naar huis gaat, alsnog bij familie gaat wonen of voor zijn of haar achttiende jaar kamertraining gaat doen.” Een afgebroken plaatsing kan dus ook heel positief zijn.

De pleegzorginstellingen registreren voortijdig gestopte pleegzorgplaatsingen niet systematisch en hanteren soms verschillende definities. Hoe betrouwbaar is dat ‘een op de drie’ eigenlijk? Vanuit de wetenschap is er in ons land weinig onderzoek naar gedaan. Strijker cs kwamen in de publicatie ‘Uitdagingen voor pleegouders’ (Tijdschrift voor orthopedagogiek, 2009) uit op 22,4%. Recent promoveerde Simon van Oijen op een onderzoek naar voortijdige beëindiging van langdurige pleegzorg voor pleegpubers in Nederland. Hij ontdekte dat in de leeftijdsgroep van 11 tot 17 jaar de plaatsing in de helft van de gevallen voortijdig stopt. Pubers lijken het gemiddelde erg omhoog te halen.

Inzicht in oorzaken
Pleegzorginstellingen rapporteren aan de provincie over het totale aantal gestopte plaatsingen. Ruwweg zijn er vier redenen te noemen: de plaatsing eindigt volgens plan, een kind wordt achttien, een kind stapt over naar andere zorg of de plaatsing wordt voortijdig afgebroken. Ook hier ligt de definitie van voortijdig afbreken niet vast.

Bij pleegzorginstelling De Rading in de provincie Utrecht was het percentage voortijdig afgebroken plaatsingen in 2009 zo’n 15%. Om meer inzicht te krijgen in oorzaken vindt er sinds de zomer van 2009 extra registratie plaats. Jan-Hein van Engelen is afdelingshoofd en vertelt: “Wan­neer een pleegzorgbegeleider een plaatsing als voortijdig af­gebroken registreert, stelt de leidinggevende enkele vragen om inzicht te krijgen in de oorzaak. Het is nog te pril voor conclusies, maar we hopen er zo beter zicht op te krijgen. Daarnaast kunnen uitkomsten aanleiding zijn om beleid te maken.”

Om uitval te voorkomen, wil De Rading pleegzorgmethodisch verbeteren: “Je moet zorgen dat pleegouders het volhouden en dus moet de begeleiding zo goed mogelijk zijn. Wat vraagt een kind en wat hebben pleegouders daarbij nodig? In 2010 willen we onze observatiediagnostiek breder inzetten. Bij vragen over de aard van de noodzakelijke begeleiding of in te zetten interventie gaan we in het pleeggezin intensief observeren en waar nodig diagnostiek inzetten. Aan de hand daarvan stellen we het hulpverleningsplan bij.”

Investeren in ondersteuning
“Pleegzorg bestaat al eeuwen, maar pleegzorgbegeleiding is relatief jong en nog lang niet uitontwikkeld”, zegt Jan-Hein van Engelen. “Daarom bieden we een breed palet aan van interventies die al dan niet op indicatie worden ingezet.”

Bij De Rading wordt onder andere gebruik gemaakt van Video Interactie Begeleiding (VIB) (1), Parent Management Training Oregon (PMTO), Pleegouder Pleegkind Interventie (PPI) (2), Triple P niveau 4 en vanaf eind 2010 Parent-Child Interaction Therapy (PCIT). “Er zijn nog weinig geschoolde medewerkers,” licht het afdelingshoofd toe. “Als er iemand wegvalt, verdwijnt ervaring en kennis. Daarmee zijn het kwetsbare en dure interventies. Toch is het een investering die loont. Pleegouders houden het langer vol waardoor minder uitval plaatsvindt.” Binnenkort worden alle pleegzorgbegeleiders getraind in Triple P niveau 2 en 3 (3). Daarmee wordt een belangrijke stap gezet in opvoedingsondersteuning op maat aan pleegouders. Voor therapie van pleegkinderen heeft de instelling bescheiden mogelijkheden. Van Engelen: “Dat loopt meestal via Bureau Jeugdzorg. Wij kunnen beperkt specialisten inhuren, daarmee helpen we jaarlijks zo’n dertig kinderen.”

(1) Zie ook Mobiel 3, 2006

(2) Zie ook Mobiel 1, 2010

(3) Zie ook Mobiel 3, 2009


Tags: ,