Nieuwe pleegouders blijven nodig

Auteur: Cor Hazekamp  

Ook de komende twee jaar worden er weer nieuwe pleegouders geworven. Het aantal uithuisgeplaatste kinderen blijft stijgen en de overheid heeft een voorkeur voor plaatsing in een pleeggezin. Pleegzorg Nederland werkt dit voorjaar aan een nieuwe reclamecampagne en pleegzorginstellingen maken gretig gebruik van de ervaringen met zogenaamde warme werving in Brabant en Gelderland. Niet iedere instelling blijkt echter klaar voor grootschalige werving. In sommige regio’s wordt zelfs fors bezuinigd.

Het ministerie voor Jeugd en Gezin heeft met de provincies afspraken gemaakt over de aanpak en financiering van de jeugdzorg in 2010 en 2011. De vraag naar jeugdzorg groeit namelijk explosief. Over 2008 en 2009 was er sprake van een groei van ongeveer 7,5% per jaar. De huidige financieel-economische omstandigheden beperken de mogelijkheden om de groei in de jeugdzorg op korte termijn te faciliteren.

De provincies bepalen zelfstandig hoeveel geld naar Bureau Jeugdzorg gaat en hoeveel naar de instellingen voor Jeugd & Opvoedhulp (de jeugdzorgaanbieders). Vanuit het geld dat Jeugd & Opvoedhulp krijgt, wordt pleegzorg betaald. Dit kan per provincie tot verschillen leiden in de beschikbare middelen. Zo verviel in de provincie Overijssel de subsidie voor vakantie- en weekendopvang per 1 januari 2010. Door per 1 juni 2010 de dagen die een pleegkind bij vakantie- of weekendouders verblijft bij het vaste pleeggezin in te houden op de pleegvergoeding, kan deze pleegzorgvorm toch blijven bestaan.

Efficiënter werken
De provincies en stadsregio’s slaagden er de afgelopen drie jaar in om in de jeugdzorg een efficiencywinst van 17% te boeken. Met de minister is afgesproken om jaarlijks een verdere efficiencywinst te behalen. Denk hierbij aan minder bureaucratie of meer samenwerking tussen de (vrij toegankelijke) eerstelijns- en (geïndiceerde) tweedelijnszorg. Ook kan de samenwerking tussen de jeugdsector, de sector licht verstandelijk gehandicapten en de GGZ-zorg efficiënter. Mogelijk is integraal indiceren, één soort indicatie voor alle sectoren, een optie. Hoeveel efficiënter het moet worden, is niet vastgelegd.

Samen zetten de provincies en minister zich er de komende jaren voor in dat kinderen die geïndiceerde zorg nodig
hebben, meer gebruik kunnen maken van pleegzorg en gezinshuizen in plaats van relatief dure residentiële zorg. Minister Rouvoet ondersteunt de provincies daarbij door de positie van pleegouders te versterken, hun financiële vergoeding te verhogen en een wervingscampagne te starten.

De provincies zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van het jeugdzorgbeleid en dragen zorg voor een passend aanbod op de vraag naar jeugdzorg. De gemaakte afspraken gelden met de voorwaarde dat het budget blijft zoals is afgesproken en dat gedurende deze periode sprake is van (politieke) rust in de jeugdzorg. Voor de ene instelling blijkt het gemakkelijker dat aanbod af te stemmen op de vraag dan voor de andere. Zo bleek uit een uitzending van Netwerk op 16 maart jl. dat Spirit in Amsterdam ondanks de gemaakte afspraken al geen geld meer heeft voor extra pleegzorgplaatsingen, waardoor kinderen in groepen moeten blijven. Andere instellingen lukt het echter wel om intern te schuiven zodat kinderen zo snel mogelijk naar een pleeggezin kunnen.

Verbeterpunten
Op de lange termijn willen de minister en de provincies de vraag naar geïndiceerde jeugdzorg verkleinen. Preventie en vroeginterventie, zoals opvoedhulp en lichte pedagogische begeleiding, moeten leiden tot minder escalatie en complexe hulpvragen. Wrang is dat onverwachte groei bovenop de verschuiving van residentiële plaatsingen naar pleegzorg, niet uit het vastgestelde budget betaald kan worden en deze lange termijndoelen pas in de toekomst besparingen op­leveren. Inhoudelijk moet er nog wel wat gebeuren voor de lange termijndoelen worden behaald. De vraag verschilt per regio aanzienlijk. Provincies moeten daarom duidelijke afspraken maken met gemeenten over de aansluiting van geïndiceerde jeugdzorg en lokaal jeugdbeleid, opdat jeugdigen en gezinnen niet tussen de twee vormen van zorg vallen.

Ten aanzien van zogenaamde ‘risicojeugdigen’ dienen de op te richten Centra voor Jeugd en Gezin zo vroeg mogelijk hulp te bieden om verergering van problematiek en geïndiceerde jeugdzorg te voorkomen. Tot slot moeten de financieringsstromen eenvoudiger, er zijn nu te weinig prikkels om de financiën efficiënt te beheersen.

Groei pleegzorg
In 2008 woonden ruim 22.000 jeugdigen bij pleegouders. Daarmee verdubbelde het aantal kinderen dat gebruik maakt van pleegzorg in tien jaar. Steeds meer kinderen met een grotere verscheidenheid aan problematiek maken gebruik van pleegzorg. Als gevolg hiervan hebben pleegzorgbegeleiders extra ondersteuning nodig in de vorm van gerichte methodieken en consultatie van een gedrags­wetenschapper. De instellingen die pleegzorg bieden, zijn vooralsnog meegegroeid met de vraag. In een behoorlijk aantal organisaties krijgen mensen op dit moment echter geen verlenging van hun tijdelijk contract vanwege bezuinigingen.

Over het algemeen kan gesteld worden dat de instellingen voor pleegzorg momenteel boven hun bezettingsgraad
werken. Dat heeft gevolgen voor de ondersteuning van pleegouders: de caseload stijgt en pleegzorgbegeleiders komen minder vaak in de pleeggezinnen. Hierdoor kan er ook minder goed gelet worden op de veiligheid van kinderen, terwijl dit juist één van de pijlers is van de inspectie voor jeugdzorg. De kosten voor de toegenomen vraag worden tijdelijk uit eigen middelen betaald, maar als de stijging structureel is, kan dit verdere gevolgen hebben voor het personeel en de ondersteuning van pleegouders.

Warme werving
Om het probleem van de wachtlijsten aan te pakken, onderzocht de provincie Brabant in 2007 de manier waarop pleeggezinnen werden geworven. Het reguliere werven leverde te weinig nieuwe pleeggezinnen op en richtte zich teveel op traditionele gezinnen. De doelgroep moest verbreed worden met alleenstaande ouders, tweeverdieners, homoparen, oudere echtparen en pleegouders met een niet-westerse achtergrond. Betere voorlichting en vooral persoonlijke begeleiding trok geïnteresseerde gezinnen over de streep.

Pleegzorginstelling Kompaan en De Bocht uit Tilburg deed daarom een proef met ‘warme werving’. Medewerkers en pleegouders vroegen in hun eigen omgeving of mensen geïnteresseerd waren in het pleegouderschap. Ze stonden in een kraam in een ziekenhuishal of maakten reclame via hun woningbouwvereniging of sportclub. Begeleidend onderzoek liet zien dat de traditionele manier van werven, waarbij mensen zelf het initiatief nemen om zich aan te melden en deze nieuwe manier elkaar aanvullen. De aanwas van pleegouders steeg. Door de positieve resultaten kent de provincie Noord-Brabant nu extra middelen toe om met warme werving door te gaan. Door toename van het aantal aanmeldingen van kinderen is de wachtlijst namelijk nog niet geslonken.

Ook Pactum in Gelderland deed ervaring op met warme werving. Via de actie ’80 pleeggezinnen gezocht’ werden pleegouders ingezet om folders en posters te verspreiden en om informatie te geven. Verder werden bij Pactum bekende bedrijven ingeschakeld bij het werven van pleegouders. De actie leverde zo’n dertig nieuwe pleeggezinnen op. Voor sommige leeftijdscategorieën blijft het lastig een pleeggezin te vinden, bijvoorbeeld voor kinderen van twaalf jaar en ouder. In Noord-Holland hingen de samenwerkende pleegzorginstellingen in een aantal steden enorme waslijnen op met grote witte kledingstukken. In het midden hing een klein rood t-shirt met de tekst: “Mag ik tijdelijk bij jullie wonen?”

Een andere manier om pleeggezinnen te vinden is het zoeken naar netwerkpleeggezinnen. In meerdere provincies wordt de Eigen Kracht-conferentie gestimuleerd, waarbij ouders, het kind, familie en vrienden samen een plan maken bij bijvoorbeeld een uithuisplaatsing. Meestal rolt daar ook een verblijfplaats uit voor het kind bij familie of bekenden. Pleegzorg Nederland ontwikkelt dit voorjaar een nieuwe landelijke campagne om pleegouders te werven. Nieuwe pleegouders zijn weleens verbaasd dat er zo veel geworven wordt, terwijl het vele maanden kan duren voor het eerste kind wordt geplaatst. Pleegzorg is maatwerk. Voor een goede matching van een kind zijn er gemiddeld vijf in­geschreven pleeggezinnen nodig.

Het is een goed streven om voor de korte termijn in te zetten op de stimulering van pleegzorg en voor de lange termijn op preventie en vroeginterventie. Dit beleid zal echter eerst zijn vruchten moeten afwerpen, voordat er verder bezuinigd kan worden in de jeugdzorg.


Tags: ,