Netwerkpleegouders kiezen bewust voor dat ene kind

Auteur: Jolanda Stellingwerff  

Van alle pleegouders die aan instellingen verbonden zijn, zorgt de helft voor een kind van familie, vrienden of bekenden. Dit zijn netwerkpleegouders, al is dit een term die bedacht is door hulpverleners en beleidsmakers. De meeste netwerkpleegkinderen noemen hun pleegouder namelijk gewoon opa, oma, oom, tante of bij de voornaam omdat ze dit altijd al deden. Deze opvoeders kiezen niet voor het pleeg­ouderschap, zij kiezen ervoor om te zorgen voor dat ene kind dat niet meer thuis kan wonen.

Niet alleen de start van de plaatsing is anders, er spelen ook andere thema’s mee dan bij ‘bestandspleegouders’. Een oma die voor een kleinkind zorgt, is opeens opvoeder van dit kind. Dat verandert de rolpatronen tussen deze twee personen, maar ook binnen de familie. Voor andere kleinkinderen geldt deze verandering namelijk niet en ooms en tantes krijgen er opeens een soort broertje of zusje bij, dat voorheen tot een andere generatie behoorde. Naast deze verschuiving in rollen, vraagt bij netwerkpleegzorg loyaliteit nog meer aandacht dan bij bestandspleegzorg. De ouder die de zorg voor zijn of haar kind niet aankon, is namelijk een naaste verwant of kennis. Voor opa’s en oma’s komen daar nogal eens gevoelens als schuld en schaamte bij kijken: “Deed ik het fout bij mijn eigen kind, kan ik dit goedmaken of voorkomen bij mijn kleinkind of gebeurt er weer hetzelfde?” Wanneer een netwerkpleegouder boosheid of frustratie uit over een ouder, kan het kwetsend zijn als een begeleider hier teveel begrip voor toont, die ouder is namelijk ook kind, broer, zus of vriend. Met loyaliteitsgevoelens hebben alle pleegkinderen te maken, maar bij netwerkzorg kunnen ook pleegouders in een spagaat komen.

Wederzijds vertrouwen

Carla Kraak is pleegzorgbegeleider van netwerkpleeggezinnen. In principe is haar werk hetzelfde als het werk van een ‘gewone’ pleegzorgbegeleider, maar ze ziet wel degelijk verschillen. “Het binnenkomen in een gezin is al anders”, vertelt ze. “Deze mensen zitten niet altijd op hulp te wachten. Na een tijdje verandert die mening, de meeste mensen hebben namelijk geen idee wat er kan spelen rondom de netwerkplaatsing.” Het eerste contact met een netwerkgezin vraagt om die reden de nodige aandacht. Kraak: “De eerste keer zorg ik dat ik geen afspraken erna plan. Zeker als er veel gebeurd is in een familie, willen mensen veel vertellen. Die ruimte wil ik hun ook geven. Dat zorgt voor wederzijds vertrouwen.”

Hoeveel netwerkpleegouders er zijn in ons land is onbekend. Van de pleegouders die zijn aangemeld bij een pleegzorginstelling, en begeleiding en pleegzorgvergoeding ontvangen, is ongeveer de helft netwerkpleegouder. Daarnaast zijn er nog veel kinderen die tijdelijk of langdurig bij familie of bekenden wonen, maar waar geen instanties bij betrokken zijn. Je hebt het dan over informele plaatsingen. Hun aantal is onbekend. Soms komt er vanuit deze groep alsnog een vraag om begeleiding of pleegzorgvergoeding. Die stap wordt vaak gezet wanneer een kind meer zorg vraagt, contacten met ouders moeizaam verlopen of financiën een probleem zijn.

Minder traumatisch

De aanmelding van een netwerkpleeggezin loopt via Bureau Jeugdzorg. Een gezinsonderzoeker van de pleegzorginstelling onderzoekt of het gezin een veilige plek is voor het kind. Hier zijn harde criteria voor. Carla Kraak: “Een negatief oordeel komt maar weinig voor en speelt bijvoorbeeld bij psychische of lichamelijke klachten van pleegouders of als een verklaring omtrent het gedrag niet wordt afgegeven. Wanneer er twijfels rondom een plaatsing ontstaan omdat loyaliteiten meespelen, is het ingewikkelder om een eenduidig antwoord te geven. Het gezinsonderzoek wordt uitgebreid in het team besproken. Als twijfels ernstig zijn, accepteren we een plaatsing soms voor een bepaalde tijd of onder bepaalde voorwaarden. Er zijn veel tussenstappen mogelijk voor je bij een ‘nee’ uitkomt. Meestal kun je goed uitleggen waarom een beslissing wordt genomen.”

Voor kinderen die bij familie of bekenden wonen, is een uithuisplaatsing minder traumatisch dan wanneer een kind naar vreemden gaat. Een kind blijft in hetzelfde familie­systeem, met dezelfde normen en waarden en bij dezelfde mensen. Familie- en verjaardagsbezoek gaan vanzelf en ook het contact met ouders kan in veel gevallen natuurlijker verlopen. “Nog veel meer dan bij bestandspleegzorg, kijk je bij netwerkpleegzorg naar hoe mensen met elkaar samenwerken”, legt Carla Kraak uit. “Een kind dat thuis nooit aan tafel at, hoeft dat bij zijn oom en tante soms ook niet. Gewoon omdat het zo gaat in die familie. Ik houd altijd goed in de gaten dat ik mijn normen niet boven die van een gezin plaats, zolang het maar veilig is. Ik ben er om pleegouders te helpen, zodat zij het op hun manier kunnen doen. Soms is hun manier anders dan die van mij, maar dat kan voor een kind misschien wel beter zijn.”


Tags: ,