Terugkijken op pleegzorg

Een pleegkind dat achttien wordt, is pleegkind af. Anders dan het woord pleegkind en de bemoeienis van jeugdzorg, is het met de herinneringen. Die blijven. Vier volwassenen blikken terug op hun jeugd in een pleeggezin. Wat is de invloed van die jeugd op hun huidige leven en hoe staan ze nu tegenover hun pleegouders?

“Ik weet dat ik op hen terug kan vallen.”

Koen is veertig en heeft weinig herinneringen aan zijn vroege jeugd:

“Mijn moeder was voor mijn vijfde weg. Ik ben op mijn zesde naar een kinderhuis gebracht, omdat het thuis niet meer kon. Er werd mishandeld en er was veel agressie.” Het contact met zijn vader kwam weer op gang toen Koen op zichzelf ging wonen, maar dat ging al snel mis toen zijn vader hem zonder spaargeld en met een dure lening liet zitten. Koen woonde van zijn twaalfde tot zijn zestiende bij Hans en Els. Daar voelde hij zich thuis: “Het was er leuk en er werd ook nog een pleegzusje geboren. Ik hoorde er gewoon bij.” Toch liep het mis.

“Toen ik verhalen hoorde dat op een groep wonen leuker was, liep de plaatsing snel stuk. Jammer was wel dat die stoere verhalen niet klopten. Gelukkig bleef het contact met mijn pleegouders bestaan en mocht ik al snel weer op bezoek komen. Er ontstond een vriendschap die langzaam veranderde in er helemaal bijhoren en mijn pleegouders als ouders zien. Ik weet dat ik op hen terug kan vallen, dat ze er zijn als het moeilijk is. Soms krijg ik op mijn kop, maar ze zijn ook blij als het goed gaat.

“Ik heb een tijd samengewoond, maar ik ben te eigenwijs. Ik vertrouw niet gauw mensen. Daarom ben ik zo blij met pa en ma. Ik kan niet lezen en schrijven en het is fijn dat ik mensen heb die mijn brieven voorlezen en vertellen wat ik moet doen met een brief van de gemeente. Met mijn eigen familie heb ik geen contact, ik heb geen idee waar iedereen gebleven is. Hans en Els zijn de mensen bij wie ik hoor.”

“Ik heb geen vervelende dromen meer.”

Diny is 53 jaar en kijkt met gemengde gevoelens terug op haar jeugd:

“Op mijn zesde ging ik naar een kindertehuis en op mijn twaalfde ging ik in een pleeggezin wonen. Dat was veel fijner, ik had weer een thuis. Ik begreep niet waarom ik niet bij mijn moeder mocht wonen. Het pleegkind-zijn drukte een zware stempel op mij, vooral in de puberteit. Ik was het enige kind in het pleeggezin. Er hadden voor mij meerdere pleegkinderen gewoond. Zij kwamen geregeld over de vloer. Onze gevoelens hoefden wij elkaar niet uit te leggen. We begrepen wat het is om pleegkind te zijn. Ik heb altijd het gevoel gehad dat ik me moest bewijzen voor mezelf en mijn omgeving. De buitenwereld mocht vooral niet zien dat ik een pleegkind was.

Helaas leven mijn pleegouders niet meer. Ik heb met hen altijd goed contact gehad. Ik hoefde de deur niet uit toen ik 21 was en ben vanuit huis getrouwd. Later waren ze echt opa en oma voor mijn kinderen. Ergens tussen mijn twintigste en dertigste ben ik naar een psycholoog geweest om het verleden een plek te geven. Ik heb zelf het contact met mijn moeder verbroken. Dat is het beste wat ik heb kunnen doen. Ik heb nog veel vragen, maar ik krijg er toch geen antwoord op. Mijn vader is overleden. Toen ik twintig was, heeft de voogd hem opgespoord. Ik heb hem opgezocht in een daklozencentrum. Bij zijn overlijden kwam ik zijn familie tegen. Heel bizar. Zij wisten van mijn bestaan af, maar ik niet van dat van hen. Dat ik mijn moeder niet meer zie en dat mijn vader overleden is, heeft mij rust gebracht. Ik heb geen vervelende dromen meer. De laatste jaren ben ik sterker en zelfstandiger geworden. Het gaat goed met me.”

“Mijn vechtlust heeft me staande gehouden.”

Willempie (41) werd bij zijn geboorte afgestaan en woonde bijna zijn hele jeugd in een pleeggezin.

“Ik was een jaar toen ik er kwam wonen en ben er geestelijk en lichamelijk mishandeld. De eigen kinderen keken lijdzaam toe. Op een gegeven moment kwam er een klein pleegzusje. Ook zij werd geslagen. Mijn ogen gingen open. Dit was niet normaal! Voor haar kwam er een maatschappelijk werker langs. Hij zag dat het met mij niet goed ging en probeerde een andere plaats voor mij te vinden. Dat lukte niet.

Kort daarna barstte de bom en ben ik weggelopen. Ik kon naar een gastgezin. Zij waren goed voor mij, maar ik was onhandelbaar. De volgende stap was begeleid op kamers wonen. Ook daar moest ik weg. Ik ben als portier gaan werken en heb het criminele circuit van zeer dichtbij gezien. Na een aantal jaren wilde ik graag studeren. Bij het invullen van de papier­winkel voor studiefinanciering liep het spaak. Er wordt veel informatie over je ouders gevraagd. Die had ik niet.

Mijn jeugd heeft heel veel invloed op mijn leven. Ik vertrouw niemand meer. Mijn moeder zag ik voor het eerst weer toen ik zeventien was. Ze geeft geen antwoorden op mijn vragen. Haar familie weet niets van mijn bestaan af. Mijn waarschijnlijke vader ontkent dat hij mijn vader is. Ik ben de oudste van negen of tien broers en zussen. Bijna allemaal hebben we in pleeggezinnen of internaten gewoond.

Rond mijn veertigste ging het heel slecht met me. Ik ben in therapie gegaan. Mijn enorme vechtlust in combinatie met mijn hoge IQ heeft me staande gehouden. Ik heb nog steeds contact met de maatschappelijk werker die indertijd zag dat het slecht met mij ging. Hij wist toen niet wat er echt speelde. Ik heb nooit iets gezegd omdat ik me schuldig voelde. Mijn pleegouders heb ik nooit meer willen zien. Het gastgezin nog wel een keer. Toen kon ik vertellen over de mishandelingen. Zij hebben dat nooit geweten en boden hun excuses aan omdat ze mijn gedrag toen niet konden accepteren.”

“Lang leefde ik in twee werelden.”

Lara is 40 jaar en werkt in de jeugdzorg:

“Ik was tien toen ik bij mijn moeder wegliep. Ik stond al onder toezicht en wilde bij mijn vader wonen. Dat vond de jeugdbescherming niet goed en ik ben in een crisispleeggezin geplaatst. In die tijd ben ik meegenomen door mijn vader en we hebben een maand ondergedoken gezeten. Daarna ben ik bij Henk en Ria gaan wonen. Lang leefde ik in twee werelden.

Mijn vader ging in hoger beroep en ik hield vol dat ik bij hem wilde wonen. Dat is afgewezen. Voor mij was het heel belangrijk dat mijn pleegouders achter een bezoekregeling bleven staan. Toen het na ruim een jaar mis ging bij mijn vader en ik de bezoekregeling zelf wilde stoppen, stonden ze ook achter me. Vanaf toen leefde ik nog maar in één wereld.

Ik heb altijd zelf mogen kiezen. Ik ben pas na mijn achttiende gaan puberen en woonde tot mijn 24e thuis. Ik hoor bij Henk en Ria. Op mijn negentiende ben ik nog een keer boos weggelopen, maar was binnen de kortste keren weer thuis. Je bent zelf degene die cirkels kan doorbreken en andere keuzes kan maken. Een slechte jeugd als excuus, daar kan ik niet zo veel mee. Ik heb nooit meer contact gehad met mijn ouders en ook niet met de rest van mijn familie. Ik heb mijn eigen leven. Kinderen krijgen gaf wel zorgen vanwege mijn verleden. Die zijn verminderd door een uitspraak van professor Smalhout: ‘Je moet het doen met het product dat bij je groeit en daar het beste uithalen.’

Werken in de jeugdzorg was ook een bewuste keuze. Ik heb zelf veel meegemaakt én verwerkt. Door die ervaring begrijp ik meer en kan ik anders in het werk staan. Voor mij is het heel belangrijk om ouders en kinderen te betrekken bij besluiten. Zodat kinderen begrijpen waarom het thuis niet kan, maar ook toestemming krijgen om ergens anders te wonen. Dan hoeven ze niet te leven in twee werelden die met elkaar strijden.”


Tags: , ,