Pontjes

Als mijn beide vaders blauwe ogen hebben en ik ook, wiens ogen heb ik dan? Die van mijn echte vader of die van mijn pleegvader? Als ik op mijn nieuwe ouders lijk, maar ook op mijn echte ouders, lijk ik dan gemiddeld méér op ouders dan gewone kinderen met één paar ouders? Of juist op allebei iets minder en totaal weer evenveel? Wiens kind ben ik? En waar is mijn thuis?

Na één jaar op kamers wonen, vergat ik waar mijn huis was. Net alsof met het officieel wegvallen van de term ‘pleegkind’ ook mijn pleegouders waren verdwenen. Mijn pleegouders voelden als een eiland zonder bootje: daar kon ik niet meer heen. Ik was op zoek naar een innerlijke TomTom waar ‘thuis’ in voorgeprogrammeerd staat. En toen op een ochtend besefte ik: ík ben dat eiland, ik heb een slootje om mij heen gegraven.

Vanaf dat moment regelde ik een veerpontje dat af en toe naar mijn pleegouders vaart. Verwachten dat ik bij het vaste land hoor, doe ik niet. Ik voel mij altijd een beetje anders, maar gelukkig niet als enige. Zo zie ik om mij heen nog vele andere pontjes van eilanden met hun eigen verhaal: gescheiden ouders (twee pontjes), ouders in het buitenland (duur pontje) of ouders die niet los kunnen laten (overbelast pontje). Zelf begin ik te beseffen dat mijn strippenkaart oneindig is; een uitnodiging die samen met de liefde is ontstaan. Liefde voor een ex-pleegkind mét pleegouders, een potpourri van nature en nurture, een Indiase curry waarvan je bij het eten ook niet meer kan achterhalen wat er in gedaan is, wat langzaam zo is ontstaan.

Een thuis staat niet voorgeprogrammeerd, maar is als een IKEA-kast: iedereen heeft er een en je zet hem zelf in elkaar.


Tags: ,