Omgaan met een psychiatrische ouder

Een op de drie kinderen die opgroeien met een psychiatrische ouder krijgt later ook psychische problemen. Geldt dat ook voor kinderen die niet opgroeien bij die ouder, maar in een pleeggezin? Wat moet je weten als pleegouder over de stoornis van die ouder en over mogelijke erfelijke gevolgen?

In Nederland hebben meer dan 800.000 ouders (gediagnosticeerde) psychiatrische problemen. Het gaat bijvoorbeeld om depressies, angststoornissen, schizofrenie, eetstoornissen of problemen met alcohol en drugs. Psychische en verslavingsproblemen werken door in het gezin. In totaal hebben deze ouders 1,6 miljoen kinderen onder de 22 jaar, van wie een op de drie volgens cijfers van het Trimbosinstituut ook een stoornis zal krijgen. Er zijn geen gegevens bekend over hoeveel van deze kinderen nog wonen bij (een van de) ouders of in een pleeggezin.

De Bellenbergh is een psychiatrische behandelafdeling van Altrecht Geestelijke Gezondheidzorg in de regio Utrecht. Hier worden gezinnen met psychiatrische problematiek behandeld of geobserveerd. Kinder- en jeugdpsychiater Ellen van Noort en ouderbegeleider Lydia Sarmaat zien veel ouders die, al dan niet met ondersteuning, goed in staat zijn hun kinderen op te voeden. Regelmatig krijgen zij de vraag, vaak van Bureau Jeugdzorg, of ouders wel of niet hun kinderen kunnen opvoeden. ÒDeze vraag wordt eerst gespecificeerd: kunnen deze ouders voldoende structuur bieden of kunnen ze een veilig klimaat cre‘ren? Als er duidelijk sprake is van een te grote handicap, dan proberen we tijdens het traject de vraag om te buigen naar andere mogelijkheden om goed ouderschap in te vullen.Ó Van Noort en Sarmaat vinden het belangrijk dat er verschillende vormen van opvang en pleegzorg zijn waarbij de ouders gedeeltelijk de zorg blijven houden: weekendgezinnen, deeltijdpleegzorg of opvang in het netwerk.

Risicofactoren

Enkele risicofactoren zijn bepalend voor kinderen of zij psychische problematiek ontwikkelen. Deze factoren zijn ook van invloed op de mogelijkheden die ouders nog hebben om zelf op te voeden of dat (tijdelijke of gedeeltelijke) plaatsing in een pleeggezin noodzakelijk is.
•De leeftijd van het kind. Een jonger kind is bij het ontstaan van de ouderlijke stoornis meer kwetsbaar.
•Ernst en duur van de stoornis.
•Disfunctionele ouder-kind interactie. Een ouder met een psychiatrische stoornis gaat soms anders om met zijn kinderen.
•Genetische factoren. De rol van genen is aan­getoond bij depressie en alcoholisme, dat leidt echter niet noodzakelijkerwijs tot een stoornis.
•Conflicten tussen de ouders.
•Draagkracht van een eventuele partner. Een eenoudergezin heeft meer kans gebruik te moeten maken van GGZ-voorzieningen.

Geen rechtstreeks verband

Het is voor Van Noort en Sarmaat onmogelijk aan te geven bij welke psychiatrische ziektebeelden de grootste kans bestaat op uithuisplaatsing van kinderen. Gezinnen waarin één of beide ouders een psychische ziekte hebben, zijn gemiddeld minder stabiel dan andere gezinnen. Veel factoren bepalen of de opvoeding succesvol is. Er is geen rechtstreeks verband tussen een stoornis en uithuisplaatsing. Het verband tussen ziekte en uithuisplaatsing is volgens de twee niet belangrijk en zij waarschuwen ervoor mensen in te delen op stoornis. Het is namelijk absoluut niet zo dat mensen met psychische problemen niet kunnen opvoeden. Iemand met schizofrenie kan teruggetrokken zijn en beperkingen hebben, maar wel goed zijn ouderrol vervullen. Bij een combinatie met psychoses is het vaak duidelijk zichtbaar dat mensen ziek zijn. Dat hoeft niet direct iets te betekenen voor de ouderrol. Hoe meer factoren niet in orde zijn, hoe groter de kans dat de opvoeding problematisch is.

Erfelijkheid

Een op de drie kinderen die opgroeit met een psychiatrische ouder krijgt later psychische problemen. Wat dit betekent voor pleegkinderen met een psychiatrische ouder(s) is onbekend. Wel is bekend dat veel stoornissen een erfelijke component hebben, zoals borderline, autisme en schizofrenie. Martine Delfos zegt in een artikel over borderline: “De vicieuze cirkel herhaalt zich wanneer dit pleegkind met een dergelijke geschiedenis ook de hormonale aanleg van de moeder heeft geërfd. (…) Zeker tijdens de puberteit komen pleegouders dan voor een vreselijk moeilijke en angstige taak te staan. Vanuit haar of zijn nood zal het kind zich soms zeer manipulatief opstellen om de gewenste aandacht te verkrijgen en tegelijk niet echte relaties met de pleegouders en leden van het gezin aan kunnen gaan. Een kind dat echter voor of na de puberteit deze verschijnselen niet vertoont, laat zien dat er niet de borderlineproblematiek speelt, maar andere onderwerpen.”

Helpt het als pleegouders kennis hebben van psychiatrische stoornissen en van de erfelijke factoren? Moeten ze beginnende signalen van een zich ontwikkelende stoornis herkennen? Ellen van Noort ziet hierin vooral een rol voor de pleegzorgwerker weggelegd, die vanuit zijn of haar kennis de ontwikkeling van het kind volgt.

Wat moeten pleegouders weten

Het kennen van de psychiatrische diagnose van een ouder vinden Van Noort en Sarmaat niet per se wenselijk. Zij vinden het zinvoller dat pleegouders informatie krijgen over problemen of beperkingen van de ouders. Bij een ouder met een bipolaire stoornis, ook wel manisch-depressief genoemd, is het belangrijk dat je weet dat er langdurige periodes zijn dat iemand goed kan functioneren en dan ineens manisch of depressief is. Van Noort: “Wij moeten de ziektes classificeren, maar eigenlijk zijn het moeilijk hanteerbare indelingen. De ene ouder met schizofrenie ligt de hele dag op bed, waardoor de kinderen nauwelijks aandacht krijgen, de andere heeft last van psychoses en roept angst op bij kinderen. Dat is informatie die pleegouders moeten weten als een kind op ouderbezoek gaat. Deze informatie is belangrijker dan de diagnose.””

Discussie

Pleegzorgwerkers en pleegouders zijn, bij navraag bij onder andere Trias in Overijssel, unaniem van mening dat de diagnose wel verteld moet worden aan pleegouders, uiteraard zorgvuldig en met inacht­neming van de privacy. Het belangrijkste argument hiervoor is ‘openheid in contact’. Een ander argument is dat pleegouders voorafgaand aan de plaatsing op de hoogte zijn. Bij een langdurende plaatsing kan dit namelijk meewegen in de beslissing. Kennis over een stoornis en beperkingen kweken begrip bij pleeg­ouders. Als de stoornis bekend is, kunnen pleegouders het kind beter voorbereiden en begeleiden in het contact met de ouders. Ook is het een voordeel dat een jongere in de puberteit durft te vragen naar aanleg en erfelijkheid van de stoornis. Een pleegouder noemt als mogelijk risico: “Als je weet wat de diagnose is, ga je misschien te snel denken dat het kind de stoornis ook heeft. Het is belangrijk dit met de pleegzorgbegeleider uitvoerig te bespreken.”

Bij de pleegzorgwerker zou ook meer kennis aanwezig moeten zijn over stoornissen en te verwachten gedrag. Één pleegzorgwerker deed zelfs een bijscholingsverzoek over dit onderwerp. Misschien ook een idee voor bijscholing van pleegouders?                                                              <

Literatuur

www.trimbos.nl

www.ouderschap-psychiatrie.nl

Martine Delfos: Vreemd gedrag!? Borderline, een wisselend beeld, uit Mobiel 1, 2000

www.kopp.lotgenootje.nl

 


Tags: , ,