Leer mij Lobke kennen

Auteur: Annemiek Visser

Sinds tien maanden is Annemiek Visser pleegmoeder van haar nichtje Lobke. Een vanzelfsprekende stap voor haar, maar met gevolgen die ze vooraf niet had kunnen inschatten. In deze Mobiel en in het volgende nummer deelt Annemiek haar ervaringen.

“Zeven jaar geleden is Wietske, de vrouw van mijn broer Rob overleden. Hun dochters waren toen zeven en tien jaar. Lobke, de jongste, was een moederskindje. Voor mijn broer was het moeilijk, om niet te zeggen onmogelijk, om haar als alleenstaande vader te geven wat ze nodig had. Het was rot om te zien hoe die twee uit elkaar groeiden. Om een lang verhaal kort te maken: Lobke accepteerde de nieuwe vriendin(nen) van Rob niet en nam steeds meer haar eigen opvoeding ter hand. Dat werkt natuurlijk niet. Het werd spijbelen en niet of veel te laat thuiskomen. Wie zich met haar bemoeide, kon een grote bek krijgen. School dreigde met Jeugdzorg, Rob met het internaat. Voor ons als familie reden om de koppen bij elkaar te steken. Met als gevolg dat Lobke nu bij ons woont. We werden wel gewaarschuwd voor ‘wat’ we in huis haalden. Alsof we dat niet wisten; leer ons Lobke kennen!

‘We’ zijn mijn man en ik en onze twee dochters. Lobke zit qua leeftijd tussen hen in. Voordat Rob vier jaar geleden voor zijn werk verhuisde, hadden we veel contact. Het was tien minuten fietsen; nu woont hij twee uur rijden van ons vandaan. In de tijd dat Wietske ziek was, logeerden zijn dochters veel bij ons. Onze kinderen zijn met hen opgegroeid. Toen Rob verhuisde, werd het contact minder en konden we niet meer zoveel voor elkaar betekenen. Dat voelde als een gemis, zeker toen steeds duidelijker werd dat hij het niet trok. Dat wij Lobke in huis zouden nemen, vonden we logisch. Dat het nodig was, vonden we tragisch. Voor Lobke en Rob. We waren er echter van overtuigd dat we meer slapeloze nachten gehad hadden als we niet hadden geholpen dan nu we het wel gedaan hebben.

De afgelopen tien maanden waren in veel opzichten verrassend. We zaten in het begin te wachten op het moment dat de obstinate puber zich zou openbaren, maar niets van dat alles. De Lobke die voortdurend op straat hing, deed opeens niets liever dan thuis aan mijn rokken hangen. Ging ik op zolder de was ophangen, dan ging ze mee. Was ik de auto aan het wassen, dan stond ze ineens buiten. Rommelde ik in de keuken, dan kwam ze er bij zitten. Ondertussen stond haar mond niet stil en leidde ze me rond in haar leven van de afgelopen jaren. Hoewel ze nu twee koppen groter is, zwartgeverfd haar heeft en zeer geboeid is door de buurjongens, herkenden we het kleine meisje dat we zo vaak te logeren hadden. Hoezo: ze was veranderd?

Ze grijpt nu zelf weer terug op die logeerpartijen, kent het slaapliedje nog dat we toen zongen en vertelt dat ze zo moest lachen toen onze oudste dochter zich met carnaval als Holle Bolle Gijs had verkleed. De logeerkamer waar ze toen sliep, is nu haar kamer. Onherkenbaar omgetoverd in hartjesland: rode hartjes op de muur, als kussens op haar bed, op posters. Lobke is echt een meisjesmeisje. Ze tuttelt graag, besteedt veel aandacht aan haar uiterlijk en is fan van haar eigen spiegelbeeld. We vonden het dan ook raar dat ze zo weinig passende kleren en veel te kleine schoenen bij zich had, toen ze bij ons kwam wonen. Dit terwijl mijn broer een heel behoorlijk inkomen heeft. Toen ik hier voorzichtig naar vroeg, zei hij boos dat hij haar niks wilde geven zolang ze zich niet beter gedroeg. Zijn kind in de groei had al meer dan een jaar geen kleren gehad. Zijn boosheid snapte ik wel, maar een lastig kind mag toch wel op goede schoenen lopen? Wij zijn juist blij dat ze zichzelf goed verzorgt. Gelukkig hebben we er niet met hem over hoeven discussiëren omdat we pleegvergoeding krijgen. We zijn gewoon kleren gaan kopen, zodat ze zich niet hoeft te schamen voor wat ze aan heeft.

Toen Lobke hier net woonde, was er een moment dat ik me opeens realiseerde dat het toch niet zo gewoon is. Rob wilde even rust en zou zelf contact met Lobke opnemen als hij er aan toe was. Ondertussen ging hij op wintersport. Ik wist wanneer hij terugkwam. Normaal bel ik dan altijd om te horen hoe het is geweest, maar nu wist ik het even niet. Als ik zou bellen, kon het niet anders dan dat we het ook over Lobke zouden hebben. Wij waren immers volop bezig met haar plaatsje in ons gezin. Rob wilde even afstand; moest ik nou wel of niet bellen? Hij belde zelf ook niet. Dat waren we wel van hem gewend. Na een week belde ik. Het was een stroef gesprek. Ik wilde eigenlijk niet horen dat hij het leuk gehad had, omdat ik vond dat hij zijn dochter net zo had moeten missen als zij hem. Hij wilde eigenlijk niet horen dat we het gezellig hadden met Lobke. “Wacht maar tot je haar ware gezicht ziet,” zei hij. Wij hadden nou net het gevoel dat we dat zagen. Het was duidelijk, de verhoudingen waren veranderd. Rob is niet alleen meer mijn broertje, hij is ook de verdrietige vader van het kind waar we voor zorgen. Zijn dochter is niet alleen meer ons nichtje, ze is ook een van de meiden in ons gezin.

In de maanden die we nu achter de rug hebben, heeft Lobke het gezicht dat Rob als ‘het ware’ aanduidde niet laten zien. We zien een klein meisje met een duim in de mond naar Bassie en Adriaan kijken en zich vervolgens als een echte veertienjarige in het volle leven storten met de volledige aandacht voor meidengedoe en de o zo interessante jongens. Ze heeft zelf wel een verklaring voor het feit dat ze zich bij ons gewoon en gezellig gedraagt. “Papa was veel weg en als hij er was, moest ik van alles doen en kwam er ruzie,” zegt ze. Dan was ze liever op straat. Dat het daar ook niet altijd leuk was, geeft ze nu wel toe: “Waarom denk je dat we op straat zaten? Niemand had het leuk thuis.” Bovendien werd ze er doodmoe van om nooit thuis te zijn.

We merken dat Lobke met volle teugen geniet van ons gezinsleven en wij van haar. Ze is gewoon het gezellige kind dat ze altijd al geweest is, maar wel een kind dat veel aandacht nodig heeft, heel wat verdriet heeft meegemaakt en haar verhaal kwijt moet. We merken hoe belangrijk het is dat we haar kunnen vertellen hoe ze als kleintje was, dat ze precies op haar moeder lijkt als ze op een bepaalde manier kijkt en dat we ook van haar vader houden. We moeten er niet aan denken dat ze naar een internaat had gemoeten. We zijn familie van haar, we hebben een gezamenlijke geschiedenis. Die heb ik ook met Rob; veel langer zelfs dan met Lobke. Onze liefste wens is dan ook dat die twee elkaar weer vinden.”


Tags: ,