Jong kind beter af in pleeggezin

Auteurs: Maud Verhoofstad en Willemien Kronenberg  

De veronderstelling dat jonge verwaarloosde kinderen zich beter ontwikkelen in een pleeggezin dan in een instelling, is in een uniek wetenschappelijk experiment aangetoond. In Roemenië werd onderzocht hoe kinderen in een pleeggezin en kinderen in een tehuis zich ontwikkelden. Een uniek onderzoek met resultaten die er niet om liegen: een kind is duidelijk beter af in een gezin.

In Roemenië was er een grote groep kinderen die al op zeer jonge leeftijd zonder ouders moest opgroeien. Dit kwam onder andere door de geboortepolitiek van Ceausescu en de heersende mening dat opgroeien in een tehuis niet slecht was voor een kind. In 1989 werden meer dan 170.000 kinderen opgevangen in instellingen. Veel kinderen zijn in de jaren daarna geadopteerd. Onder internationale druk verlegde de regering de aandacht naar het verbeteren van de leefwereld in instellingen en het voorkomen van plaatsing. Toch werden in 2001 nog meer dan 8000 kinderen geplaatst in een instelling.

In deze context ontstond het Bucharest Early Intervention Project (BEIP). Charles Zeanah, professor in de klinische kinderpsychiatrie bij de universiteit van Tulane, New Orleans (VS) en directeur van BEIP, gaf 14 mei jl. in Leiden een lezing over dit project. De lezing was onderdeel van een internationale studieconferentie over de gevolgen van tehuisopvoeding en de mogelijke alternatieven. Het onderzoek is gestart in samenwerking met het ministerie van Kinderbescherming van Roemenië en met SERA Romania, een ontwikkelingsorganisatie.

De eerste voorbereidingen begonnen in de herfst van 2000 en het experiment startte in 2001. Het heeft vier jaar geduurd. Amerikaanse wetenschappers werkten samen met Roemeense wetenschappers en hulpverleners. Vanaf het begin van het onderzoek is het wetenschappelijke doel gecombineerd met humanitaire doelstellingen.

De methode

Uit adoptieonderzoek was gebleken dat kinderen die in tehuizen opgroeien veel achterstanden hadden, maar dat zij na de adoptie een enorme inhaalslag maakten in hun ontwikkeling. Het lag daarom voor de hand om kinderen uit een instelling in een pleeggezin te plaatsen en te kijken wat voor resultaten dat gaf. Pleegzorg als beleid voor de praktijk was in Roemenië niet onomstreden. Er waren voor- en tegenstanders bij de mensen die het voor het zeggen hadden. De tegenstanders hielden vast aan de ideeën van Ceausescu en het communisme. Ceausescu wilde het arbeidspotentieel verhogen door geboortestimulering. Vanuit communistische idealen was een groepsopvoeding in een instelling een betere opvoeding dan de meer individuele opvoeding in een gezin. Er was na de val van het communisme veel belangstelling voor internationale adoptie, maar de wereldopinie en de ervaringen in andere landen dwongen de overheid tot verbetering van de levensomstandigheden in de tehuizen en tot het uitproberen van alternatieven in eigen land. Pleeggezinnen bestonden in Boekarest nauwelijks, dus deze moesten eerst geworven, geselecteerd en getraind worden.

Alle pleeggezinnen ontvingen een salaris en een onkostenvergoeding voor het kind en werden begeleid door Roemeense maatschappelijk werkers. Er werden 136 kinderen, jonger dan dertig maanden, uit instellingen geselecteerd die mogelijk in aanmerking kwamen voor het onderzoek. Ze zijn uitgebreid getest op intelligentie, emotionele ontwikkeling, hechtingsproblematiek, lichamelijke en neurologische ontwikkeling. Een aantal kinderen viel toen af. Volstrekt willekeurig zijn de kinderen over twee groepen verdeeld. Alleen tweelingen bleven bij elkaar. Een groep bleef in een instelling en de andere kinderen gingen naar pleeggezinnen. Er was een controlegroep, op dezelfde wijze getest, van kinderen in dezelfde leeftijd, die bij hun ouders thuis opgroeiden.

Deze drie groepen werden drie jaar lang gevolgd en nogmaals onderzocht op de leeftijd van 24, 42 en 54 maanden. De meest recente meting is op acht jaar en men is bezig fondsen te werven om op elfjarige leeftijd opnieuw te kunnen kijken hoe het gaat.

Resultaten

Bij aanvang hadden de kinderen een grote achterstand op alle ontwikkelingsterreinen. Deze kinderen zijn zeer jong in een instelling geplaatst en hebben door het gebrek aan stimulering schade opgelopen. Het opvallendst was de groei in intelligentie en het herstel van de verwaarlozingskenmerken bij de kinderen die in een pleeggezin zijn geplaatst. Ook taalontwikkeling en gedragsproblemen, voortkomend uit hechtingsproblematiek, verbeterden aantoonbaar. In de onderzoeksopzet was gezocht naar mogelijke gevoelige periodes in de ontwikkeling. Dit betekent dat op een bepaalde leeftijd een vaardigheid of kennis aanwezig moet zijn. Is die niet aanwezig, dan kost het op latere leeftijd extra moeite om het alsnog te leren of lukt het niet meer.

Op het gebied van de intellectuele ontwikkeling is een dergelijke periode mogelijk gevonden: de grootste inhaalslag van de intelligentie lijken kinderen voor de 24e maand te maken. Ook ander herstel van gedrag is onderzocht: na een relatief korte periode, zeven maanden na plaatsing in een pleeggezin, hadden de kinderen aantoonbaar meer plezier in hun leven. Dit komt opnieuw naar voren bij de volgende meting, een jaar later.

Het hebben van plezier in het leven ofwel het tonen van positieve emotionele uitdrukkingsmogelijkheden is onderzocht op twee manieren. Tijdens een kiekeboe-spelletje en tijdens een spel met een handpop werden reacties en gezichtsuitdrukkingen van de kinderen ‘gescoord’ met behulp van observatielijsten, die door onbevooroordeelde personen worden ingevuld. De invullers wisten niet bij welke groep het betreffende kind hoorde. Tijdens de lezing van professor Zeanah werd een video-opname getoond waarin dit verschil bijzonder goed zichtbaar was. Voor en in het begin van de plaatsing in het pleeggezin was het kind ongeïnteresseerd, passief en was er nauwelijks interactie met de omgeving. Bij de volgende meting was datzelfde kind vrolijk en actief en toonde reacties op het spel en het aangeboden materiaal.

Relevant voor Nederland?

Op de vraag wat wij in Nederland van deze gegevens kunnen leren, is professor Zeanah heel duidelijk. Kinderen jonger dan zes jaar horen nooit in een instelling. Ze lopen daar schade op door het gebrek aan stimulering, teveel wisselingen van opvoeders, te weinig spel of speelgoedaanbod en te weinig knuffelen. Ze missen de structuur en de bescherming van het gezin, waarin ze hun basisvaardigheden kunnen opdoen. Zeanah herkent het probleem dat als je een baby in een pleeggezin plaatst voordat het toekomstperspectief duidelijk is, er mogelijk schade optreedt door het door- of terugplaatsen. Dat is echter veruit te verkiezen boven plaatsing in een instelling.

Desondanks zijn de mogelijkheden van herstel van opgelopen schade groot. Vooral de eerste jaren na plaatsing in een pleeggezin zijn grote ontwikkelingen op vrijwel elk gemeten onderdeel zichtbaar. Bij de metingen daarna tot en met de laatste (op achtjarige leeftijd) zie je nog steeds verbeteringen, maar de stappen worden steeds kleiner. De kinderen blijven het wel altijd minder goed doen dan de kinderen in de controlegroep die bij de eigen ouders opgroeien.

Betaald versus vrijwillig

In de onderzoeksopzet is gekozen voor betaalde pleegzorg, omdat de bestaande pleeggezinnen in Roemenië al betaald werden door adoptieorganisaties. Deze gezinnen moesten het kind voorbereiden op adoptie. Toen de interlandelijke adoptie stopte, verloren deze mensen hun baan. Veel van deze gezinnen werden opnieuw pleeggezin bij het BEIP-project. Of betaalde pleegzorg beter is, werd in dit project niet onderzocht. Professor Zeanah vindt het een groot voordeel dat pleegmoeders niet hoeven te gaan werken voor hun inkomen. Dat is in de VS wel zo en dan moeten de jonge kinderen naar crèches, die vaak van dubieus niveau zijn.

Een probleem met betaalde pleegouders in Roemenië is dat op dit moment de Roemeense overheid geen geld heeft voor nieuwe pleeggezinnen. Daarnaast blijven jonge, verlaten kinderen soms erg lang in het ziekenhuis waar ze zijn geboren, omdat ze niet meer in een instelling geplaatst mogen worden. Er is namelijk, onder andere naar aanleiding van dit onderzoek, een wet aangenomen die verbiedt dat kinderen zonder een handicap, jonger dan twee jaar, opgenomen worden in een instelling.

Maatschappelijk werk

De pleeggezinnen in Roemenië worden begeleid door Roemeense maatschappelijk werkers. Deze zijn getraind en opgeleid door de Amerikanen omdat het in Roemenië een onbekend beroep was. De bestaande pleeggezinnen die de adoptievoorbereiding deden, kregen geen begeleiding. Na de plaatsing kwamen de maatschappelijk werkers regelmatig in de gezinnen en overlegden zij wekelijks per video met de klinische adviseurs in de Verenigde Staten. Bij de kinderen die in de instelling verbleven, vond geen extra investering plaats om de ontwikkeling te stimuleren. Wel werd gedurende het onderzoek de groep kleiner. In de onderzoeksopzet was bedongen dat als een kind uit de instelling alsnog naar familie of naar een pleeggezin kon, het niet zou worden tegengehouden. Hierdoor werd het aantal kinderen per verzorger lager en nam de kwaliteit van de zorg in de instelling iets toe.

Nabijheid

In Nederland komt het nogal eens voor dat iets oudere kinderen met ernstige hechtings- en gedragsproblemen in pleeggezinnen niet tot hun recht komen. Deze kinderen belanden uiteindelijk toch in een instelling. Professor Zeanah herkent dit en vertelt dat sommige kinderen zo beschadigd zijn dat ze niet meer in een gezin geplaatst moeten worden. Deze kinderen durven zich niet meer te hechten. Voor hen is het beter vanuit de instelling met een vaste structuur en dagritme de ontwikkeling in dit gedrag te laten reguleren.

Zeanah noemde een voorbeeld in Israel van een project met twee geschakelde woningen. In de eerste woning woont een pleeggezin en in de tweede een groep kinderen die naar behoefte in het gezin kunnen meedraaien en zo de nabijheid zelf kunnen kiezen. Hoewel verder onderzoek ongetwijfeld meer duidelijkheid zal geven over de gevoelige periodes en de soort interventies die nodig zijn, heeft dit onderzoek duidelijk aangetoond dat jonge kinderen het meest gebaat zijn bij opvoeding en interventie in een gezin.    <

Bronnen:

– Designing research to study the effects of institutionalization on brain and behavioural development: The Bucharest Early Intervention project, Charles H. Zeanah, Charles A. Nelson e.a. Development and Psychopathology, 2003.

– Cognitive Recovery in Socially Deprived Young Children: The Bucharest Early Intervention Project, Charles A. Nelson, Charles H. Zeanah e.a. uit Science, vol. 318, december 2007.

– The effects of foster care intervention on socially deprived institutionalized children’s attention and positive affect: results from the BEIP study, Melissa M. Ghera, Peter J. Marshall e.a. uit Journal of Child Psychology and Psychiatry, 50:3, 2009.


Tags: ,