Twee jaar Mobiele brigade: een terugblik

Auteur: Mirte Loeffen  

In het december/januari nummer van 2006/2007 verscheen de eerste aflevering van de Mobiele Brigade. Oud-redactielid Rick van de Locht was benieuwd naar de rol van provincies bij de pleegzorg. Hij zag ons al in brigadierspakken provinciehuizen infiltreren om de onderste steen boven te halen. Van de vermomming zijn we afgestapt, maar het idee om de wereld van provincies te ontsluiten, bleef hangen.

Als adviseur in de jeugdzorg die vooral met zorgaanbieders en Bureau Jeugdzorg te maken heeft, was ik wel te porren voor een provinciaal avontuur. Wat is veertien afleveringen verder de conclusie?

Wat op het eerste gezicht misschien een taaie en suffe vraag lijkt, is in feite een heel actuele en spannende vraag. Begin 2010 gaat het kabinet zich een oordeel vormen over het stelsel van de jeugdzorg op basis van een serie evaluatierapporten met als belangrijkste de evaluatie van de Wet op de Jeugdzorg, momenteel uitgevoerd door BMC (1).

Deze wet trad in 2005 in werking en zorgde ervoor dat provincies de financiering van de jeugdzorg gedelegeerd kregen van de overheid. Daarmee werden zij ook verantwoordelijk voor een goede uitvoering van pleegzorg. Deze rol van de provincies werd al snel een punt van discussie. Na nog geen jaar wilde een aantal wethouders de verantwoordelijkheid voor de jeugdzorg overhevelen naar gemeenten.

Jeugdcommissaris Steven van Eijck van Operatie Jong (2) formuleerde in 2006 een sturingsadvies met een pleidooi om verantwoording en toezicht zo dicht mogelijk bij de burger neer te leggen. De bestuurlijke laag van provincies zou daarom moeten verdwijnen ten gunste van gemeenten.

Afstand

Een jaar geleden gaf de Commissie decentralisatievoorstellen provincies (3) eenzelfde advies: provincies zouden zich moeten beperken tot het ruimtelijk-economische domein en de cultuur. Voor zorg en welzijn zouden gemeenten primair verantwoordelijk moeten zijn. De reactie van een pleegmoeder uit Den Bosch (Mobiel 2, 2008) op de Mobiele Brigade over Friesland geeft goed aan waar het knelpunt zit: “Hoe kun je als pleegouder hier nu een fatsoenlijk oordeel over geven? Er is maar met een persoon gesproken en dat is een hoge pief in plaats van iemand uit het werkveld. Hoe kan zij weten waar het soepel loopt bij de pleeggezinnen en waar de knelpunten zijn? Ik heb meer aan een eerlijk verhaal dan aan het mooi-weer-praatje dat ik nu lees.”

Verloop pleegouders is groot

De vraag is eigenlijk of de afstand tussen de provincie en de uitvoering niet te groot is. Wiel Peters, pleegvader uit Aalst, vindt van wel. Hij schreef (Mobiel 5, 2007): “De fact­sheet van de Stichting Pleegzorg Nederland (SPN) geeft aan dat er in 2006 2952 nieuwe pleegouders zijn geworven, maar dat er ook 2081 weer mee op zijn gehouden.” Peters concludeert uit het grote verloop van pleegouders dat er structureel iets mis is. Pleegouders als dé specialisten op het gebied van praktisch opvoeden zouden echte medezeggenschap op beleidsniveau missen. Hij roept beleidsmakers op om de capaciteiten van pleegouders meer te benutten dan nu gebeurt.

Kwaliteitsstandaard

Toch is er ook wat te zeggen voor provinciale aansturing. Zo stimuleert Overijssel het toepassen van Eigen Kracht-conferenties (4) en loopt Drenthe voorop in het toetsen van de effecten van zorg. Door provinciaal lijnen uit te zetten wordt voorkomen dat iedere gemeente het wiel opnieuw moet uitvinden. Tegelijkertijd lijkt het of elke provincie een eigen stokpaardje berijdt om zichzelf te profileren. Daarbij is de vraag gerechtvaardigd of wat in de ene provincie werkzaam blijkt niet ook in een andere provincie van toepassing zou moeten zijn.

Zo vraagt een pleegvader zich af (Mobiel 3, 2007) hoe het met een specifieke regeling omtrent een vrijstelling van sollicitatieplicht voor pleegmoeders in een stadsregio gaat als er een nieuw bestuur komt. Bovendien vindt hij wat op de rechtsgelijkheid aan te merken als een dergelijke regeling niet landelijk ingevoerd wordt.

Is de oplossing het jeugdbeleid over te hevelen naar gemeenten, waarbij de overheid ervoor zorgt dat er op hoofdlijnen volgens dezelfde kwaliteitsstandaard wordt gewerkt? Het zou zonde zijn als dergelijke operaties zoveel energie en tijd kosten dat we opnieuw voorbij gaan aan de zorg voor kinderen in nood. Het is niet voor niets dat minister Rouvoet van Jeugd en Gezin er voor koos om stelseldiscussies uit te stellen tot na de evaluatie van de Wet op de Jeugdzorg. Die is in november 2009 gereed, dus pleegouders: houd het in de gaten!

Mirte Loeffen is orthopedagoog en werkt bij BMC als senioradviseur.

Dit artikel is het laatste in de serie Mobiele Brigade.

(1) BMC is een bureau voor advies en interim-management in de non-profitsector.

(2) Een samenwerkingsverband van zeven ministeries dat van 2003 tot 2006 knelpunten in de jeugdzorg onderzocht om op te lossen.

(3) Een commissie die begin 2008 een rapport publiceerde met decentra­lisatievoorstellen voor provincies op de beleidsterreinen van de

ministeries van VROM, V&W, EZ, LNV en OCW.

(4) Bijeenkomsten waarbij families met hun vrienden en bekenden zelf een plan maken voor het oplossen van problemen, dit plan is leidend voor de hulpverlening.


Tags: ,