Samenwerking in de jeugdzorg

Pleegouders hebben te maken met een hulpverlener vanuit pleegzorg. Daar nemen ze zaken mee door. Als blijkt dat er meer zorg nodig is, gaat die hulpverlener aan het werk. Toch zijn er meerdere instanties die zich bezighouden met de begeleiding van pleegkinderen. Zeker als kinderen extra zorg nodig hebben, komen er meerdere partijen in beeld. Er vormt zich dan een groep van hulpverleners rondom het kind. Het blijkt in de praktijk dat als deze groep niet als team goed samenwerkt, er 60% kans is dat de hulpverlening niet slaagt. Wie zitten er in een hulpverlenersteam? Welke rol hebben zij? En wat kun je hier als pleegouder mee?

De medewerker van Bureau Jeugdzorg is voor veel pleegouders wel bekend. Deze medewerker is immers degene die de hulp moet indiceren. Zonder een indicatie geen begeleiding en ook geen pleegzorgvergoeding. Als er meer hulp voor een kind nodig is, dan zal Bureau Jeugdzorg een aanvullende indicatie moeten schrijven.

Momenteel loopt het zogeheten ‘Deltaplan’, de methode waarbij onder andere iedere jeugdbeschermer nog maar zo’n vijftien kinderen zal begeleiden. Ook wordt er volgens deze methode gewerkt met een vastomlijnd ‘plan van aanpak’ dat samen met ouders wordt opgesteld. In de zomer van 2006 is gestart met de invoering van het Deltaplan en het ministerie van Justitie heeft er extra geld voor beschikbaar gesteld. Nog niet ieder Bureau Jeugdzorg is zover dat het Deltaplan geheel is ingevoerd.
Voorheen was het de voogd die contact onderhield met de ouders en de pleegzorgwerker met de pleegouders. Nu is het de taak van de medewerker van Bureau Jeugdzorg om te indiceren, een plan van aanpak op te stellen en de hulp te volgen. Als ouders met zorgen aankloppen, kunnen ze op vrijwillige basis nog vijf gesprekken voeren. Voor meer ondersteuning moet de medewerker bepalen welke hulp er nodig is en deze laten uitvoeren door een ‘zorgaanbieder’.

Hulp Op Indicatie

Een zorgaanbieder is onder andere de instelling voor pleegzorg. Ouders of pleegouders kunnen hier niet zelf voor hulp aankloppen. Het zijn instellingen die alleen met een indicatie aan het werk mogen. Ze worden HOI-instellingen genoemd, waarbij de letters HOI staan voor Hulp Op Indicatie.
In Nederland wordt er naar gestreefd hulp af te stemmen op de problemen van een kind. Hulp op maat en vraag­gericht werken dus. In de praktijk ligt dit ingewikkelder. Hulpprojecten, ook pleegzorg, hebben een methode van waaruit wordt gewerkt. Die methode is beschreven en geeft aan welke stappen er gezet worden in de periode dat de hulp wordt geboden. Om geld voor een project te krijgen is zo’n omschrijving nodig. We willen als maatschappij immers geen geld stoppen in hulpverlening die inefficiënt te werk gaat. Ook moet helder zijn hoe lang die hulp gaat duren. Daarmee ontstaat er echter geen vraaggerichte, maar aanbodgerichte hulp.

Als een kind en diens ouders een ingewikkelde hulpvraag hebben, gaan er meestal meerdere hulpverleners aan het werk. Een hulpverlener heeft soms wel de kennis in huis om met een bepaald probleem aan de slag te gaan, maar wordt niet betaald voor de stukken die buiten zijn taak­gebied liggen. Iedere hupverlener geeft alleen de hulp die is geïndiceerd.

Hoe complexer de hulpvraag, hoe meer mensen betrokken zijn. Hoe groter het aantal mensen rondom een kind, hoe moeilijker de samenwerking. Tijdens een overleg wordt dit duidelijk: vergaderen met tien mensen is veel moeilijker en vraagt meer tijd dan vergaderen met drie mensen. De directe hulpverleners zijn daarnaast ook nog lid van een eigen team. Daar spreken ze zaken mee door en krijgen ze advies van mee. In zekere zin spreken er aan een vergadertafel dus ook mensen mee die lijfelijk niet aanwezig zijn.

Meerdere instellingen

Nog ingewikkelder wordt het als er verschillende zorgaanbieders betrokken zijn, zoals de jeugdhulpverlening en de jeugd-GGZ. Hulpverleners mogen niet zomaar informatie met elkaar uitwisselen. Informatie mag alleen worden ingezien als daar toestemming voor is gegeven door de cliënt zelf of, wanneer deze te jong is om hierover te beslissen, door degene met gezag over een kind. Daarnaast werken verschillende instanties volgens eigen methodes en daardoor veelal langs elkaar heen. Ieder hanteert een eigen dossier, een eigen intake en een eigen werkwijze. Het is in de praktijk zelfs niet ongebruikelijk dat onderzoeken worden overgedaan, omdat men een eigen beeld wil vormen. Dat maakt de samen­werking er niet gemakkelijker op.

Naast de HOI-instellingen zijn tenslotte de gewone organisaties en instellingen actief rondom een kind. Denk aan een school, maar ook aan de huisarts of aan een politieagent. Hier is vaak veel informatie over een kind aanwezig. Informatie die niet vanzelfsprekend in het hulpverleningsteam terecht komt. Daarnaast bieden deze organisaties soms ondersteuning die minstens zo waardevol is. Bijvoorbeeld remedial teaching, logopedie of een onderwijsassistent die extra oefent met een kind.
Voor een goede samenwerking moeten hulpverleners en zorgaanbieders met elkaar kunnen meebewegen. Soms even wachten of soms juist een stap sneller maken, zodat de ander ook verder kan. Dat vraagt om informatie delen en overleg. Het is de taak van Bureau Jeugdzorg om deze zorg te coördineren. Als blijkt dat er veel tijd gaat zitten in deze coördinatie, dan kan er door Bureau Jeugdzorg een zorgcoördinator worden geïndiceerd: iemand die zich speciaal richt op de organisatie van de hulp.

Waar zijn de pleegouders?

Pleegouders worden niet gezien als professionals. Ze ontvangen dan ook een vergoeding en geen salaris. Pleeg­ouders worden niet vanzelfsprekend uitgenodigd voor overleg, hebben geen toegang tot een dossier, worden niet meegenomen in de informatiestroom rondom een kind en hebben niet automatisch een plek in het hupverlenersteam. Soms horen de pleegouders als laatste wat er gaat gebeuren met een pleegkind. In de praktijk zijn pleegouders echter goed op de hoogte van een kind en hebben het meeste zicht op wat er wel en niet goed verloopt. Een slimme hulpverlener neemt pleegouders dan ook op in het hulpverlenersteam.

Pleegouders zitten niet altijd aan die overlegtafel. Dan is een goede samenwerking met de pleegzorgwerker van belang. Deze kan pleegouders op de hoogte houden van de stappen die gezet gaan worden en de momenten waarop nieuwe beslissingen worden genomen. Ook kan de pleegzorgbegeleider hun mening inbrengen.

Samenwerken valt of staat met de werkrelatie die wordt opgebouwd. Het is niet gebruikelijk dat er gewisseld wordt van hulpverlener, maar ook niet ongewoon. Als de samenwerking stroef verloopt, kunnen pleegouders een verzoek om een andere begeleider neerleggen.

Tips voor samenwerking

Enkele adviezen om pleegouders die zorgen voor een kind met een extra hulpvraag wat handvatten te geven.
• Vraag aan een hulpverlener met wie hij/zij het kind verder nog bespreekt. Dat maakt inzichtelijk waarom bepaalde besluiten genomen worden.
•Geef alle beschikbare informatie over een kind. Zorg dat de mensen in het hulpverlenersteam beschikken over de laatste informatie.
• Geef het aan als je iets niet begrijpt. De hulpverlening bedient zich van het nodige jargon, het is niet vreemd om daar een vertaling voor te vragen.
•Bespreek vooraf het verloop van een hulpverlenings­traject. Hoe ziet dit eruit en welke stappen worden daarin gemaakt?
• Schrijf op van welke reguliere hulp al gebruik wordt gemaakt. Een kind is op een geschikte peuterspeelzaal soms net zo goed af. Kijk dus naar waar al gebruik van wordt gemaakt en houd dat in stand.
•Stel vragen als de aanpak er anders uitziet dan af­gesproken.
•Volg gemaakte afspraken op en meld het direct als iets niet lukt. Goede samenwerking is er bij gebaat als iedereen zo eerlijk mogelijk is over zijn taak.

Wachtlijsten

Wachtlijsten komen steeds meer voor in Nederland. Voor de voortgang van de hulpverlening is het een ramp. Stel dat een kind terug zou kunnen naar huis, maar de schuldhulpverlening laat nog een jaar op zich wachten? In de praktijk kan een terug-naar-huis-traject hierop stuk lopen. Een sprekend voorbeeld van slechte samenwerking waarbij instellingen langs elkaar heen werken. In het geval van kinderen extra vervelend omdat een jaar voor een kind echt lang duurt en meer impact op de ontwikkeling heeft dan bij een volwassene. Behalve de kinderen, voelen de pleegouders vaak direct de gevolgen van een wachtlijst. Breng dit bij herhaling onder de aandacht van het hulpverlenersteam en doe navraag bij de desbetreffende instantie.

OMPG

In een aantal wijken van Amsterdam bestaat er het project ‘Overlastgevende Multi Problem Gezinnen’ (OMPG). Een project voor gezinnen waar goede hulpverlening niet van de grond lijkt te komen. Omdat deze gezinnen veelal voor overlast in de buurt zorgen, heeft de Amsterdamse burgermeester de opdracht tot dit project gegeven.

Verschillende instanties, zoals jeugdhulpverlening, woningbouwverenigingen, (jeugd-)GGZ, politie, justitie en leerplichtambtenaren, nemen deel aan het project. Bij het project spreekt men over ‘de binnenkant’ en ‘de buitenkant’, dus instanties die het gezin van binnenuit begeleiden (denk aan jeugdzorg) en instanties die vanaf de buitenkant met het gezin te maken hebben (denk hierbij aan politie). Er is een gezinsmanager van Bureau Jeugdzorg die de coördinatie heeft. Als een gezin geaccepteerd is binnen het OMPG-project, krijgen zij voorrang op hulp. Dat kan gaan om een pleegzorgplek, maar ook om een nieuwe woning of de plaatsing op een peuterspeelzaal.

De gezinsmanager organiseert een uitvoerdersoverleg waar de zorg en de overlast in kaart worden gebracht. Daar stelt men een gezamenlijk advies over op. Dit advies wordt besproken in een analyseteam waar invloedhebbende medewerkers van alle betrokken organisaties in zitten. Zo kan de zorg snel geregeld worden. OMPG-aanvragen worden met voorrang behandeld. Het is zelfs mogelijk om een probleem voor te leggen aan de burgemeester, zodat deze zijn invloed kan aanwenden. Dat is in de praktijk nog nooit nodig geweest.

De aanpak van het project blijkt succesvol en OMPG zal de komende tijd dan ook in andere delen van Amsterdam worden ingezet.


Tags: ,