Tjitske Jansen over dichten en haar jeugd in pleeggezinnen

‘Vertrouwen’ is het thema van de gezamenlijke gedichtenwedstrijd van de WAT?! en Mobiel. Tjitske Jansen is een van de juryleden. Ze is dichter en woonde in haar puberteit in verschillende pleeggezinnen. Van haar eerste bundel ‘Het moest maar eens gaan sneeuwen’ (2003) zijn meer dan 12.500 exemplaren verkocht. Een bestseller voor poëziebegrippen. In 2007 verscheen ‘Koerikoeloem’. Hierin schrijft ze onder meer over haar ervaringen in pleeggezinnen. Mobiel praat met haar over het maken van gedichten, over het wonen in pleeggezinnen en over vertrouwen.

Schreef je als kind al gedichten?
“Ja. Mijn moeder vertelde me dat ik, toen ik elf jaar was, op de overloop stond en mijn gedichten verscheurde. Ik herinner me dit zelf niet. Waarom ik ze kapot scheurde weet ik niet, waarschijnlijk omdat ik ze niet goed genoeg vond.”

Zou je zelf hebben meegedaan aan een gedichtenwedstrijd?
“Ik weet het niet. Het ging me vooral om het schrijven zelf. Ik schreef veel brieven, bijvoorbeeld naar de dominee. Schrijven was een middel voor mij, ik wilde geen schrijver zijn. Als ik iedere dag begon met een half uur in mijn dagboek schrijven, was er de rest van de dag meer rust in mijn hoofd.”

De gedichten voor de wedstrijd hebben vooral betrekking op gevoelens rondom pleegzorg en vertrouwen. Hoe ga je deze gedichten lezen?
“Ik ben benieuwd! Ik weet nog niet precies waarop ik ga letten. Emoties zijn geen garantie voor een goed gedicht. Als je opschrijft wat je allemaal voelt, wordt het vaak zo groot en vaag. Het wordt interessant als je een beeld kunt oproepen, waardoor de emotie naar de lezer kan overspringen. Ik vind het ook niet zo belangrijk of het een echt gedicht is. Belangrijker is dat er iets met mij als lezer gebeurt. Dat ik het gedicht nog een keer wil lezen en nog een keer. Dat er iets is aan het gedicht waardoor ik het niet zomaar weg leg. Het is vaak zo dat ik eerst iets lees en het intuïtief goed vind en vervolgens pas naar de redenen zoek waarom het goed is.”

In je boek ‘Koerikoeloem’ schrijf je over verschillende gezinnen. Wat betekende dat voor jouw jeugd?
“Tussen mijn twaalfde en achttiende jaar heb ik in verschillende gezinnen gewoond. Soms een paar weken, soms een paar maanden of langer. Ik noem dat pleeggezinnen, maar het zijn geen officiële pleeggezinnen geweest. Het waren gezinnen binnen het netwerk van kerk en school. Ik ben anders gaan kijken naar bijvoorbeeld de gewoontes van een gezin. Heel concreet eet je in het ene gezin dikke bruine boterhammen met honing en kaas en in het andere gezin een vooraf klaargemaakt wit boterhammetje met hagelslag.

Het meemaken van verschillende gewoontes die voor de gezinnen in kwestie de normaalste zaak van de wereld waren, terwijl ik zag dat het overal anders was, maakte van mij een buitenstaander. Ook maakte het me bewust van de relativiteit van veel regels en gewoonten.

In het eerste gezin was ik graag en was ik gelukkig. Zij hebben mij eigenlijk alleen maar goede dingen gegeven, maar ik vermoed dat ze zich niet hebben gerealiseerd hoe ik me voelde en hoe belangrijk zij voor mij waren. Ik voelde dat ik daar hoorde en vervolgens kon ik er niet blijven. Ik weet niet precies meer hoe het is gegaan, maar ik heb het ervaren als dat mij meer is be­loofd, dan waargemaakt kon worden. Ik denk dat het heel belangrijk voor pleegouders is duidelijk te zijn en niet te veel te beloven. Ik weet echter niet of ik het dan minder erg had gevonden.

Daarna is het me nog maar in één gezin een beetje gelukt om me prettig te voelen. Daar was het luchtig en het was duidelijk dat het tijdelijk was en er waren twee andere meisjes. In sommige gezinnen deed ik niet eens meer mijn best. In één gezin was ik, denk ik, zelfs erg vervelend. Dat moet voor hen heel wat geweest zijn. Ik denk dat die mensen zich niet hebben gerealiseerd wat dit voor hen en hun kinderen betekende. Misschien had ik beter mijn best moeten doen. Zij waren lief voor me en probeerden het goed te doen, maar ik was er liever niet. Je mist als pleegkind de vanzelfsprekendheid dat je gewoon ergens bent.”

Het thema van de gedichten­wedstrijd is vertrouwen. Wat betekent vertrouwen voor jou?
“In verschillende gezinnen hebben gewoond en vooral het niet kunnen blijven in het gezin waar ik me thuisvoelde, heeft uiteraard invloed gehad op mijn vertrouwen in mensen.

Nu ben ik volwassen. Ik hoef niet meer te leren anderen te vertrouwen zoals je het een kind gunt dat het zijn ouders kan vertrouwen. Het gaat er eerder om dat ik zelf iemand word die te vertrouwen is. Ik ervaar een diep gemis, maar als je vast zit in verdriet, kun je niet voorbij jezelf kijken. Je houdt het gevoel dat je zelf nog kind bent en dat een ander goed voor jou moet zijn. Anderen moeten voor jou het gemis invullen. Ik heb ook regelmatig aan anderen getrokken om te proberen controle te krijgen over mijn vertrouwen in hen.

Nu probeer ik zelf iemand te zijn die te vertrouwen is, voor mezelf en voor mijn omgeving. Ik woon in een boeddhistisch centrum in Schotland. Er gelden daar vijf basisregels. Een daarvan is niet liegen. Dat hier nooit gelogen wordt, geloof ik niet. Het is een erg prettige wetenschap dat iedereen die hier is, het in ieder geval probeert, probeert om een beter mens te worden.”

Er is een groot verschil tussen pleegkinderen en pleegouders. Pleegouders gaan meestal met vertrouwen het avontuur aan, maar pleegkinderen ervaren dit heel anders?
“Daarom moet je als pleegouder en eigenlijk ook als ouder niet iets terugverwachten. Het is heel moeilijk, bijna onmogelijk, om als mens zonder verwachtingen te zijn. Je hebt toch verwachtingen over hoe je leven er met dat pleegkind uitziet of hoe je het wilt gaan doen. Hoe­wel het vrijwel onmogelijk is, is het op zijn minst belangrijk om het te proberen, om je te realiseren dat je steeds van alles hoopt en verwacht en dat je dat beter niet kunt doen. Wanneer je iets terugverwacht voor het feit dat je besluit voor iemand te zorgen, is er geen sprake van liefde, maar van handel. Je wilt iets terug voor wat je geeft.”

Ben je van het verdriet en het wonen in verschillende gezinnen een beter mens geworden?
“Het is gewoon gegaan zoals het is gegaan en iedereen heeft zijn verhaal. Je leert er van, maar op het moment dat je je innerlijke conflicten niet zelf oplost, blijf je ze tegenkomen. Als je niet leert van wat er gebeurt, maak je steeds hetzelfde mee in relaties. ‘Koerikoeloem’ gaat voor een groot gedeelte over de pleeg­gezinnen, daarin staat precies wat ik er over wil zeggen.”


Tags: ,