Sova-training voor extra kwetsbare jongeren

In nummer 2 schreven we over weerbaarheidstrainingen. Er zijn er veel en ook steeds meer scholen brengen deze trainingen onder in hun lesprogramma. Er is echter een groep kinderen en jongeren voor wie deze trainingen niet voldoen, terwijl zij het meest kwetsbaar zijn. Bijvoorbeeld jongeren met een verstandelijke beperking, met psychische problematiek of met een hechtingsstoornis. Deze kinderen vinden we ook nogal eens in pleeggezinnen. Zij hebben vaak meer nodig dan zo’n training, omdat het voor hen moeilijker is om het geleerde in de praktijk toe te passen.

Elvira is 18 en woont in een instelling voor jongeren met een beperking. Ze heeft een incestverleden en weet daardoor niet goed hoe ze zich moet opstellen wanneer een jongen iets met haar wil. Ze gaat daarom een sociale-vaardigheidstraining (sova-training) volgen. De cursusleider is trots, want ze snapt de principes en weet met haar lichaamshouding, taal en gedrag heel duidelijk haar grenzen aan te geven. Korte tijd later wordt ze echter aangerand door een jongen die ook in de instelling woont. Uit de gesprekken die hierna volgen, blijkt dat ze er ondanks de training geen flauw benul van heeft dat deze jongen haar grenzen heeft overschreden. Het is haar duidelijk dat iemand iets verkeerds doet bij slaan of schoppen, maar op seksueel gebied heeft ze dit inzicht niet en juist daar is ze al zo beschadigd en heeft ze zelfbescherming nodig.

Specialisatie

De William Schrikker Groep (WSG) is specialist op het gebied van jeugdigen met een beperking. Samen met onderzoeksbureau PI Research (1) ontwikkelden zij een sova-training voor jeugddelinquenten met een licht verstandelijke beperking (lvg). Het gedrag van deze jongeren is vergelijkbaar met dat van Elvira. Waar de een slachtoffer is, wordt een ander dader. Het gedrag waaruit dit voortkomt, is echter hetzelfde. Deze jongeren kunnen zich vaak niet inleven in een ander. Ze hebben minder grip op de wereld en kunnen daardoor het gedrag van een ander niet of slecht inschatten.
Goede en slechte intenties kunnen ze niet onderscheiden. Vaak is er ook een gebrek aan oplossingsvaardigheden. Ze kiezen voor primaire oplossingen als schoppen, slaan, schelden en misschien nog weglopen, maar dat ze ook kunnen praten of discussiëren komt niet in hen op. Het zijn ook de jongeren die bezwijken onder de groepsdruk. Als ze niet doen wat de groep van hen verwacht, bijvoorbeeld op dieven­pad gaan, liggen ze eruit. De speciale sova-training houdt hier rekening mee.
De sova-training wordt vaak als leerstraf opgelegd door de rechter en bestaat dan uit acht bijeenkomsten, maar een jongere kan ook via een persoons­gebonden budget (PGB) de indicatie krijgen voor deze cursus. Gert-Jan van Ee, manager trainingen bij de WSG vertelt dat onlangs een pleegmoeder via de website van de WSG bij hem terecht is gekomen en haar pleegdochter met PGB heeft aangemeld voor de speciale sova-training.

In het vrijwillig kader bestaat de cursus uit ongeveer 20 bijeenkomsten binnen een jaar tijd, maar dit kan aangepast worden aan de jongere, want de cursus wordt altijd individueel gegeven. De frequentie van de bijeenkomsten kan langzaam afgebouwd worden, zodat er niet al te abrupt een einde aan komt.

Praktijk

Dineke de Groot is jeugdreclasseringswerker van de WSG en is één van de trainers die de gespecialiseerde sova-training geeft. Zij vertelt dat ze in de training alles vertaalt naar situaties in het dagelijks leven, zodat het geen theorie blijft voor de jongere. De onderwerpen die in de training behandeld worden, komen van de jongere zelf, van zijn/haar omgeving en van de trainer. Ze oefent heel veel met de jongere en geeft soms ook huiswerk. Bijvoorbeeld aan de jongen die in de dag­behandeling steeds conflicten heeft met de groepsleider. Hij komt niet zelf op het idee om op een rustig moment over de conflicten te praten met de groepsleider. Hij krijgt als huiswerk op een gesprek te voeren met de groepsleider en hem te vragen de opdracht af te tekenen en aan te geven hoe het gesprek verlopen is.
Dit gesprek wordt tijdens de training eerst geoefend: de trainer doet het voor en laat daarna de jongere oefenen. In de volgende bijeenkomst wordt het resultaat besproken. Op een later moment komt de trainer nog eens met de jongere op dit onderwerp terug en checkt of hij het nog weet en ook kan uitvoeren: herhaling is belangrijk, zodat een jongere zich de vaardigheid eigen kan maken en het geleerde niet weer wegzakt. Tijdens de cursus wordt niet alleen gesproken, er wordt zoveel mogelijk gevisualiseerd en door middel van spel gewerkt. Bijvoorbeeld met het spel ‘The Emotion Game’, waarin gespeeld wordt om ‘wat voel je, wat doe je met dat gevoel, wat zie je bij de ander?’ Deze onderwerpen kunnen verder uitgebouwd worden: Welke boodschap straalt de ander uit en hoe kun jij die boodschap naar jezelf vertalen?

Tegoedbon

De cursus wordt altijd individueel gegeven. Vanwege de veiligheid, maar ook omdat ieders probleem anders is en om goed te kunnen afstemmen op het niveau van de jongere. Ooit volgden twee vriendinnen allebei apart de cursus en hebben ze daarna enkele bijeenkomsten samen gehad, zodat ze konden leren elkaar feedback te geven. Aan het einde van de cursus krijgen de cursisten een tegoedbon voor een extra les. Doordat de cursus meestal een verplichte leerstraf is, wordt deze tegoedbon vrijwel nooit verzilverd. De cursisten willen deze episode van hun leven het liefst zo gauw mogelijk vergeten. Toch had pasgeleden een meisje dat de cursus gevolgd had, de sova-trainer opgegeven als referentie bij haar aanmelding bij een school. Zo komt dan toch een positief geluid terug.

Onderzoek

In 2006 is de effectiviteit van de sova-training voor lvg-jongeren onderzocht. (2) In dit onderzoek stond de vraag centraal wat de recidivecijfers van lvg-jongeren na het volgen van de sova-training als taakstraf zijn en welke persoonlijke factoren hier mogelijk op van invloed zijn. Uit het onderzoek kwam onder meer naar voren dat het volgen van de sova-training voor lvg-jongeren vooral nut (in de zin van minder kans op recidive) heeft als er een behoorlijke mate van controle is in het gezin waarin de jongere woont en als de jongere een zinvolle dagbesteding heeft. Een aanbeveling vanuit het onderzoek is om de ouders meer (verplicht) te betrekken bij de training. Het toezicht van de ouders wordt hiermee vergroot, wat deze jongeren hard nodig hebben, en de ouders weten beter waar de jongere mee bezig is.                                                                        <

(1) ‑PI-research werkt op het gebied van innovatie, advies, training en onderzoek in de jeugdzorg en het onderwijs, www.pi-research.nl.
(2) ‑De sociale vaardigheidstraining als taakstraf voor lvg-jongeren: wat gaat er goed, wat kan er beter? Een onderzoek naar recidive, succes- en faalfactoren – Ruudje Kea, Vrije Universiteit Amsterdam, opleiding Criminologie, 2006


Tags: ,