Pleegouder van beroep

Auteur: Jolanda Stellingwerff  

Voorstanders zien betaalde pleegzorg vaak als erkenning van het pleegouderschap. Tegenstanders betreuren het vrijwillige en idealistische aspect dat daarbij naar de achtergrond verdwijnt. In 2004 (1) schreef Mobiel over het experiment met betaalde pleegzorg ‘Versterking pleegzorg’ in Noord-Brabant. Hier werd gekeken naar mogelijkheden om pleegouders te betalen voor specialistische pleegzorg. Zonnehuizen(2) uit Zeist biedt een soort betaalde pleegzorg voor kinderen met een verstandelijke beperking of psychiatrische problematiek: de gezinswoonvorm.

Tessa (40) werkte voor zij pleegouder werd, als groepsleider. Haar man en zij begonnen in 2003 als betaalde crisispleegouders bij stichting De Eik, een orthopedagogisch centrum voor kinderen met een licht verstandelijke beperking (3). “Wij wilden graag kinderen opvangen, maar kunnen niet rondkomen van één salaris. De crisisopvang voldeed goed, maar soms hadden we een paar maanden geen plaatsing en kregen we niet uitbetaald. Dat ging niet langer en we merkten dat we ook graag voor langere tijd iets voor een kind wilden betekenen. Toen kwam ik de vacature van Zonnehuizen tegen. Dat ging om plaatsingen voor langere tijd. Nu vangen we via Zonnehuizen twee zusjes op en via De Eik een jongen waarvan de crisisplaatsing is omgezet in een langdurige plaatsing. Voor crisisopvang is geen ruimte meer.”

Groepsleider aan huis

Ook Erika (38) heeft ervaring met verschillende vormen van pleegzorg. Bij Trias Jeugdzorg in Overijssel volgden zij en haar man de STAP-training en werden crisispleegouders. “De afwisseling was leuk, maar ik verlangde ook naar regelmaat. Via een vriendin hoorde ik over Zonnehuizen. Als het om een baan gaat, wordt er meer van je verwacht. We schrijven iedere maand een rapportage over het kind, we maken behandelplannen en doen mee in het overleg over de kinderen. De vragen in de rapportage dwingen je zorgvuldig te signaleren hoe het met hen gaat. Je bent echt groepsleider aan huis. Bij de gewone pleegzorg wordt alles voor je geregeld en beslist. Nu beslis ik mee. Ik moet meer vergaderen en rapporteren, maar dat hoort erbij omdat het werk is.”

“De kinderen die wij opvangen hebben allemaal een flinke hechtingsstoornis”, vertelt Tessa. “Als blijkt dat de kinderen ooit naar een nieuwe plek zouden moeten, kan ik hen loslaten. Ik zie het toch echt als een baan, ook al ben ik heel erg betrokken bij hen. Een vervolgplaatsing moet natuurlijk wel in het belang van de kinderen zijn. Ze hebben weinig met mij, dat is misschien een verschil met gewone pleegzorg. Tegen een andere volwassene zijn ze net zo enthousiast als tegen ons. Het is voornamelijk eenrichtingsverkeer. De kinderen blijven in feite tot hun achttiende, maar elk jaar wordt gekeken of de OTS wordt verlengd. Ook bespreken we jaarlijks de ontwikkeling, samen met de voogd, de orthopedagoog en de leerkracht.”

Jezelf opzij zetten

Wie een gezinswoonvorm start, wordt geacht een achtergrond te hebben als groepsleider. Naast de rapportages, vergaderingen, voortgangsverslagen en behandelplannen, volgen ze regelmatig cursussen en trainingen. Erika: “Ik ben aangenomen omdat ik ervaring had als assistent-groepsleider. Voorwaarde was wel dat ik een opleiding ging volgen voor groepsleider. Die doe ik er nu naast. De lessen zijn leuk, maar thuisstudie vraagt om discipline. Het is misschien wel een discussie of je als organisatie alleen mensen aanneemt met dit diploma of dat er ook andere ervaren kandidaten zijn.” De gezinswoonvorm lijkt veel op een gezinshuis. Daar worden maximaal vier kinderen geplaatst, in deze vorm gaat het om twee kinderen. Erika: “Per kind wordt een halve baan gerekend. Wij hebben een weekend per maand vrij en een aantal vakantiedagen, dan gaan de kinderen naar een logeervoorziening of familie. Fulltime voor twee kinderen klinkt riant. Het is echter net als pleegzorg wel 24 uur per dag. Je zet jezelf vaak opzij, want het zijn kwetsbare kinderen. Dit voorjaar werd ik geopereerd. De kinderen werden een paar dagen door een vriendin opgevangen, daarna was ik weer thuis. Had ik buitenshuis gewerkt dan was ik er zes weken uit geweest.”

Niet voor het geld

De twee vrouwen voelen zich door hun positie serieus genomen. Tessa: “De organisatie zit er strak bovenop. Er is geregeld contact met de coördinator. Die komt ook elke maand een keer langs. De orthopedagoog komt zo vaak als nodig is. Ik kan altijd bellen en krijg dezelfde dag nog antwoord.” Erika ziet hierin een groot verschil met het contact met de instelling waarbij ze crisispleegouder is: “Bij iedere crisisplaatsing is er een andere pleegzorgbegeleider. Je moet steeds aan elkaar wennen en aan de werktijden van de begeleider. Bij een heftige plaatsing is dat erg aftasten. We hebben inmiddels wel iets met elkaar opgebouwd, maar het duurt lang om dingen te regelen. Als betaalde pleegouder is het contact met de instelling persoonlijker en is een therapie, behandeling of onderzoek zo geregeld. Als je ziet wat gewone pleegzorg kost aan tijd en investeringen, dat gaat best ver. De tijd en reiskosten die ik kwijt ben om onze crisispleegzoon naar therapie of ouderbezoek te brengen, worden niet vergoed.”
Hoewel ze goed betaald worden, zijn ze het er over eens dat je dit nooit alleen voor het geld kunt doen. Tessa: “Als je geen feeling met deze kinderen hebt, word je stapelgek. Werk en privé zijn niet te scheiden. Je bent altijd aan het werk en je sociale leven wordt beperkt. Met zes kinderen gaan we niet meer zomaar ergens op bezoek. Daarbij komt ook nog dat deze kinderen zich niet netjes gedragen. Ze springen op de tafel als ze cola willen en als ze eten, proppen ze zich helemaal vol. Voor je het weet zit je je alleen maar te verontschuldigen. Ik heb met vier verschillende scholen contact. Dus vier keer ouderavonden, schoolopeningen, musicals en kerstvieringen.”

Erika en Tessa investeren veel in de geplaatste kinderen, maar letten op dat hun eigen kinderen geen aandacht tekort komen. Tessa: ”Ik breng bewust tijd apart door met mijn eigen kinderen. Ik wil niet dat er dingen niet kunnen vanwege de geplaatste kinderen. Over het algemeen hebben ze er weinig problemen mee. Met name het vreemde gedrag is vervelend voor hen, maar onze jongste ziet hen vooral als speelmaatjes. Hij weet niet beter dan dat ze er zijn. Ik waak er voor dat voor hem het onderscheid duidelijk is. Als er een pleegkind weggaat, moet hij niet het gevoel krijgen dat hij ook een keer weg moet. Zijn pleegzusjes en –broertje noemen mij bij mijn voornaam. Ik vind het heel belangrijk dat ze weten dat er ergens nog een moeder van hen is. Daarnaast ben ik niet hun moeder, het voelt onnatuurlijk als ze dat zeggen.”


Tags: ,