Niet alleen rust, reinheid en regelmaat

Toen de eerste supernanny-programma’s op de televisie verschenen, heb ik er een heel aantal bekeken. Met verschillende collegapleegouders wisselden we in de dagen daarna meningen uit. Hoe had jij het aangepakt? Snap je dat nu, hoe kan je zo inconsequent zijn naar kinderen toe? Ondertussen heeft niemand meer zin om te kijken vanwege het hoge drein-en-schreeuwgehalte. “Dat zou in mijn huis toch niet moeten gebeuren,” denk ik dan.

Wat je als grote lijn ziet, is dat ouders volledig de weg kwijt zijn en daardoor de kinderen ook. Supernanny kijkt de zaken eens aan, maakt video-opnamen zodat ouders met haar mee kunnen kijken en gaat vervolgens met de ouders om de tafel zitten om een stappenplan te bedenken. Ze haakt in op de dingen die ouders wel goed doen en geeft hun handvaten om het dagelijks leven weer op te pakken.

Goed draaiend gezin

Het dagelijks leven van pleegkinderen in hun eigen gezin is zo ontwricht dat het niet meer lukt om met krachtig ingrijpen het gezinsleven weer op orde te krijgen. Vaak is dat zelfs een gepasseerd station. Pleegkinderen komen dan van het ene op het andere moment in een goed draaiend gezin terecht. Er is een helder dagritme waardoor het leven weer voorspelbaar wordt. Het kind krijgt drie maaltijden per dag te eten, gaat naar school, gaat onder de douche en krijgt regelmatig schone kleren aan. Ook moet het op een voorspelbaar moment naar bed en staat het ’s morgens gewoon weer op. Vroeger heette dat ‘rust, reinheid en regelmaat’ en was het de basis van de behandeling van kinderen die in een internaat geplaatst werden.

Wim ter Horst (indertijd adjunct-directeur van de Heldringstichting in Zetten en hoogleraar orthopedagogiek in Leiden) schreef in 1977 het boek ‘Herstel van het gewone leven’ (1), waarin hij nagaat of de ouders wel toegerust zijn om als ouder op te treden. Het boek is verschillende malen herzien en is nog steeds verplichte kost voor PABO-studenten. Ter Horst vraagt zich in het boek af of het kind wel opvoeders heeft (denk aan de actuele SIRE-campagne voor pleegzorg), of de opvoeders iets over hebben voor hun kinderen, of de opvoeding open en gericht is op de kinderen, of opvoeders de grondvormen van menselijk contact beheersen en of zij voldoende kunnen bijtanken om door te gaan met opvoeden. Op een simpele manier stipt Ter Horst wezenlijke vragen aan. Het is goed om daar eens over na te denken. Als pleegouder zul je ontdekken dat je de meeste vragen positief kunt beantwoorden, maar voor de ouders van de kinderen is dat heel anders.

Goede verzorging onvoldoende

Voor kinderen stelt Ter Horst ook een aantal vragen. Is dit kind helemaal fit, voelt het kind zich veilig, heeft het kind voldoende eigenheid, komt dit kind uit zijn schulp, kan het kind zich redden (aanraken, verzorgen, eten en drinken, spelen, leren, praten etcetera) en heeft het kind de tijd (gisteren, vandaag, vroeger, toekomst en zijn eigen tempo). Deze vragen zijn voor pleegkinderen meestal niet met een ja te beantwoorden.

Pleegkinderen zijn vaak erg beschadigd door wat ze hebben meegemaakt en zijn het vertrouwen in anderen kwijtgeraakt. Dat is dan ook een van de grote verschillen met het supernanny-programma. Deze kinderen hebben heel veel tijd, aandacht en hulp nodig om uit te vinden wat ze kunnen verwerken. Als het basisgedrag van hun nieuwe opvoeders duidelijk, voorspelbaar, positief en liefdevol is en ze het heel lang volhouden, kan het kind zelf uitvinden hoe het zijn leven weer kan oppakken. Voor veel pleegkinderen is alleen een goede verzorging niet voldoende, ze hebben ook een periode van extra medische zorg, ondersteunende therapie, extra remediërend onderwijs en misschien nog meer nodig. Een ander groot verschil is dat veel pleegkinderen een stoornis, een handicap of een afwijking hebben. Dit vraagt van opvoeders veel meer dan de basis van een goed lopend gezin. Het vraagt om het heel consequent uitvoeren van een behandelingsplan. Denk hierbij  bijvoorbeeld aan beloningssystemen om positief gedrag aan te leren, een time-outplek maken waar een kind boos mag zijn of een bord met een weekschema om grip op het leven te houden. Pleegouders hebben hierbij ook behoefte aan begeleiding en ondersteuning van iemand die de grote lijnen in de gaten houdt. Daar zijn gelukkig pleegzorgwerkers en (gezins)voogden voor. Verder hebben pleegkinderen natuurlijk ook ouders. Die vormen voor het kind een deel van het probleem. Ze houden van hen, ze zien hen (te) weinig, ze zijn bang voor hen, ze missen hen, ze zijn boos op hen, ze krijgen cadeautjes van hen of ze horen nooit meer wat van hen. Alle varianten kom je tegen in de pleegzorg en de kinderen moeten maar zien hoe ze er mee omgaan. Het levert loyaliteitsproblemen op, hechtingsproblemen en bovendien meestal bezoekregelingen. Deze kunnen positief uitpakken voor het kind, maar ook zeer belastend zijn. Ook dit zijn problemen die je bij supernanny’s niet ziet.

Pleegkinderen hebben dus andere hulp nodig dan de ‘eigen’ kinderen bij supernanny’s. De eerste stap lijkt hetzelfde: de gezagsverhoudingen worden hersteld en de regelmaat en de verzorging komen weer op orde. Bij pleegkinderen komen daarna echter nog andere problemen aan bod. Toch kan het voor pleegouders ook een ‘eyeopener’ zijn om naar video-opnames van het gezin te kijken. Via video-hometraining of video-interactietraining kan het heel leerzaam zijn om het eigen handelen en de reacties van de pleegkinderen daarop te kunnen bekijken. Bij het bespreken wordt vooral ingegaan op wat er goed gaat en wat nog beter zou kunnen. Pleegouders halen over het algemeen, met name in de perspectief biedende pleegzorg, geen korte-termijningrepen uit om het dagelijks leven weer aan te kunnen. Deze pleegouders starten lange-termijnhulpverleningsroutes voor getraumatiseerde kinderen.                                   <

(1) Het herstel van het gewone leven, door Wim ter Horst. ISBN 9031329932, € 27,20.


Tags: , ,