Beperkingen van het blokkaderecht

Justin woont al drie jaar in een pleeggezin. Zijn ouders hebben Bureau Jeugdzorg destijds verzocht om een vrijwillige pleeggezinplaatsing: zij konden de opvoeding van Justin niet langer aan. Daarbij praat Justin niet en heeft hij heftige woede-uitbarstingen. De samenwerking tussen de ouders, pleegouders en pleegzorg verloopt goed. Wel hebben de ouders moeite met het feit dat het andere ouders wel lukt om met Justin contact te maken. Tegelijkertijd zijn ze blij dat hij een goede ontwikkeling doormaakt.

Het broertje van Justin woont in een instelling, bij hem is ADHD geconstateerd en een aan autisme verwante stoornis. De ouders zijn ervan overtuigd dat Justin dezelfde problematiek heeft en willen dat hij wordt onderzocht. De pleegouders delen deze mening niet. Justin wordt onderzocht, maar de ouders zijn het niet eens met de uitkomsten. Zij eisen een second-opinion, omdat zij er van overtuigd zijn dat Justin dezelfde problematiek heeft als zijn broertje. De relatie tussen de ouders en de pleegouders verslechtert. Boven­dien vinden de ouders dat Justin thuis hoort in een instelling. De ouders melden Justin aan bij een instelling. De pleegouders beroepen zich op het blokkaderecht. Dit doen zij door een brief te schrijven aan de ouders dat zij het niet eens zijn en niet instemmen met de voor­genomen overplaatsing. Omdat de pleegouders langer dan een jaar, in dit geval zelfs drie jaar, voor Justin zorgen, mogen de ouders hem niet zomaar overplaatsen. De ouders verzoeken de kinderrechter om toestemming. De kinderrechter vraagt de Raad voor de Kinder­bescherming om onderzoek te doen naar het belang van Justin.

Daaruit blijkt dat Justin goed op zijn plek is in het pleeggezin en dat een overplaatsing schadelijk zal zijn voor zijn ontwikkeling. De ouders zijn het niet eens met het raads­onderzoek en de wijze waarop het onderzoek heeft plaatsgevonden. Wel geven zij bij de Raad aan Justin in het pleeggezin te laten. De Raad is van mening dat er daarom geen ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing nodig is. De ouders trekken hun verzoek bij de kinderrechter in. Tegelijkertijd blijkt uit hun opstelling dat zij de plaatsing van Justin ter discussie blijven stellen. Ze willen zelf bepalen bij welk weekendgezin Justin gaat logeren, wanneer zij hem zien en naar welke school hij gaat. Voor pleegzorg wordt de samenwerking met ouders moei­zaam en nauwelijks werkbaar. De Raad blijft echter bij zijn standpunt dat er, vooralsnog, geen ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing nodig is. De Raad geeft aan dat als de ouders Justin alsnog willen overplaatsen, er ingegrepen zal worden.

De pleegouders en de pleegzorg vinden niet dat het in het belang van Justin is om het op een (volgende) crisis aan te laten komen voor er tot een jeugdbeschermingsmaatregel wordt overgegaan. Wanneer de ouders Justin opnieuw willen overplaatsen, moeten de pleegouders zich immers weer op het blokkaderecht beroepen en begint het verhaal van voren af aan. Een andere mogelijkheid is dat de pleegouders om een ondertoezicht­stelling verzoeken. Voor een machtiging tot uithuisplaatsing van Justin naar hun gezin blijven zij echter afhankelijk van de Raad voor de Kinderbescherming. De pleegouders (en hiermee Justin) bevinden zich door de opstelling van de ouders en die van de Raad in een juridisch vacuüm. Het is daarom van belang dat de Raad in dit geval zijn verantwoordelijkheid neemt.          <

Mariska Kramer is advocaat bij Leger des Heils Jeugdzorg en Reclassering en advocaat bij Dorhout-advocaten te Soest.


Tags: ,