Verschuivend gezag; voor ieder kind de moeite van het onderzoeken waard

Auteur: Mirte Loeffen  

Bureau Jeugdzorg Rotterdam, Amsterdam, Friesland en de William Schrikkergroep (team Limburg) experimenteren met een nieuwe werkwijze voor de voogdij. Zij werken op dit moment aan de methodiek met ruim honderd gezinnen. De eerste ervaringen zijn hoopgevend, maar roepen ook veel vragen op. Een methodiek dus in ontwikkeling, waarbij alle betrokkenen de kans krijgen om te reageren en mee te denken.

De nieuwe werkwijze is gebaseerd op het theoretisch fundament ‘Verschoven gezag’ van professor Jo Hermanns.

Dit fundament is te herleiden tot tien stellingen:

1. Vanaf het moment dat de kinderrechter een maatregel heeft uitgesproken, heeft de voogdijwerker maximaal twee jaar de tijd om de mogelijkheid tot gezagsoverdracht naar pleegouders of een sterk betrokken persoon te onderzoeken. Dit met het oog op een duurzame opvoedingsrelatie waarbij zo mogelijk juridisch en pedagogisch ouderschap verenigd worden. Dit wil zeggen dat de mensen die het kind opvoeden, als het even kan, ook het gezag krijgen. Hiermee ontstaat een situatie die zo veel mogelijk lijkt op die van kinderen die bij hun ouders wonen.
2. Stabiliteit is voor de voogdijwerker een criterium om al dan niet voor een opvoedingsarrangement te kiezen.
3. Veiligheid is voor de voogdijwerker een criterium om al dan niet voor een opvoedingsarrangement te kiezen.
4. Commitment hebben of kunnen ontwikkelen voor het kind is de voorwaarde waar een gezagspersoon aan moet voldoen.
5. De voogdijwerker investeert in de relatie tussen het kind, het pleeggezin/de residentiële instelling en de ouders, maar heeft ook aandacht voor contacten met familie en mogelijk vertrouwensfiguren uit de periode dat het kind nog thuis woonde.
6. Er is aandacht voor de periode na 18 jaar wat betreft wonen, werk en inkomen van de jongere.
7. De voogdijwerker zorgt ervoor dat problematiek bij (pleeg)kinderen op tijd wordt gesignaleerd. Ook zorgt hij zo nodig voor opvoedingsondersteuning en besteedt hij aandacht aan een ondersteunend netwerk voor het kind en zijn opvoeders.
8. De noodzakelijke rechtsvertegenwoordiging van het kind wordt uitgevoerd in overleg met (indien aan de orde) pleegouders, scholen en andere instituties.
9. Iedere voogdijzaak wordt afgesloten met een financieel plan voor het levensonderhoud van het kind na 18 jaar.
10. Voogdijwerkers maken idealiter gebruik van relevante wetenschappelijke kennis.

Continuïteit voor kinderen

Waarom een speciale werkwijze voor de voogdij?
We hebben immers de Deltamethode (1) voor de onder­toezichtstelling en het type problemen van voogdijkinderen is toch weinig anders? Het verschil in werkwijze vloeit voort uit het doel waarmee activiteiten worden ingezet. In het geval van een uithuisplaatsing dient een OTS ertoe om samen met ouders de mogelijkheden tot terugplaatsing naar huis na te gaan. Als die mogelijkheden zijn verkend en leiden tot de conclusie dat teruggaan naar huis er niet in zit, is voogdij op zijn plaats. Vanaf het moment dat de rechter hiertoe besluit, verkent de voogdijwerker de mogelijkheden om het gezag te verschuiven naar een natuurlijk persoon. Gezag en opvoeding zijn daarbij zo veel mogelijk in één hand, omdat deze formule het meest lijkt op de situatie van kinderen die bij hun ouders wonen. Het doel is om kinderen opvoeders te geven voor het leven: geen nieuwe ouders, maar mensen die gecommitteerd zijn aan een kind en bereid zijn om het te begeleiden naar volwassenheid en wanneer gewenst ook tot in de volwassenheid. Continuïteit in het leven van kinderen moet hiermee bevorderd worden.
De theorie van Jo Hermanns geeft het werken in de voogdij een kader en een richting. Hoe noodzakelijk dat was, blijkt uit de ervaringen van voogdijwerkers. Zij komen kinderen tegen die met Kerstmis in hun eentje op de leefgroep blijven, omdat er niemand is bij wie ze kunnen zijn. De voogdijwerker wordt als professional immers niet geacht dit kind mee naar huis te nemen. Wat te denken van het verstandelijk beperkte kind dat niet zindelijk is, maar op een kamer ligt waar geen ramen open kunnen? Dat van de trap valt bij gebrek aan toezicht, maar zo graag bij haar broer wil zijn die op de eerste etage van de instelling woont. Het kind van vijf dat al vier jaar bij pleegouders woont. Moeder heeft een licht verstandelijke beperking en trekken van borderline en ze wil haar kind terug. Er wordt een onderzoeksbureau ingeschakeld om na te gaan wat de mogelijkheden van de moeder zijn, wat pleegouders het kind kunnen bieden en welke problemen het kind heeft, want waar moet dit kind opgroeien? Het zijn enkele voorbeelden met veel handelingsverlegenheid.

Vechten en vluchten

Een groep voogdijwerkers uit de pilot besprak wat er met je gebeurt in noodsituaties. Vechten, vluchten of bevriezen; het zijn drie standaardreacties op ingrijpende gebeurtenissen. Ouders doen het als je aan hun kinderen komt, maar beroepskrachten in de jeugdzorg doen het ook als ze voor fundamentele beslissingen staan waarvan de meest elementaire is: waar groeit dit kind op? Waar veel ouders vechten, zijn het de professionals die vaak vluchten. Bijvoorbeeld in afspraken over concrete zaken als: “Zorg eerst dat je een huis hebt, een vaste partner en een baan. Pas dan kan je kind weer bij je wonen.” Beroepskrachten vluchten in het tastbare van de materie, de duidelijke bakens van huis en haard, huisje boompje baantje, maar als ouders eenmaal hebben voldaan aan deze tastbare criteria zijn ze drie jaar verder. De wisselvallige stemmingen zijn er nog steeds en het kind is inmiddels gewend aan het leven in het nieuwe gezin. Hoe leg je ouders dan uit dat alle moeite die ze hebben gedaan vergeefs is geweest? Kennelijk is het moeilijk om in alle openheid met ouders en de mensen die om hen heen staan, te zoeken naar een perspectiefvolle plek waar het kind kan wonen en opgroeien. Als pleegouder weet je vaak precies wat je belangrijk vindt en hoe je het zou willen. Is de ouder van je pleegkind erbij, dan zie je echter opeens een vader of moeder die zielsveel van het kind houdt. Het is dan bijna onmogelijk om ouders te vragen om de zeggenschap over hun kind aan een ander over te dragen. Een voogdijwerker geeft onomwonden aan: “Ik durf het onderwerp met ouders niet aan te snijden!”
Hij drukt hierbij eerlijk uit wat er aan de hand is: we zijn bang. Bang om te kwetsen, bang voor de verstrekkende gevolgen die een beslissing heeft, bang om de verkeerde beslissing te nemen.

Houvast bij een beslissing

‘Verschoven gezag’ biedt handvatten, termijnen en onderzoeksgegevens om keuzes te onderbouwen en handelen te faseren. Op basis van de theorie is een methodiek geschreven: ‘Verschuivend gezag?’. Met opzet met een vraagteken, omdat de voogdijwerker bij elke activiteit de vraag moet stellen of die in het perspectief van verschuivend gezag geplaatst kan worden. Jezelf als voogdijwerker overbodig maken is hierbij de uitdaging. Pleegouders kunnen de voogdijwerker daarbij scherp houden.

Werkwijze in een notendop

In vier fases onderzoeken voogdijwerkers de mogelijkheid tot verschoven gezag. In elke fase staan de vijf domeinen centraal waar de voogdijwerker ver­antwoordelijkheid voor draagt. Het gaat om:
•opvoeding en verzorging
•hulpverlening
•bescherming
•rechtsvertegenwoordiging
•vermogensbeheer

In fase I kijkt de voogdijwerker of alle vijf domeinen in orde zijn en zo niet, welke activiteiten nodig zijn om de domeinen op orde te krijgen. In fase I gaat de voogdijwerker ook na wat de meest gewenste gezagsformule voor het betreffende kind zou zijn: de verantwoordelijkheid voor alle domeinen bij een (pleegouder)voogd of alleen een gedeelte. Zijn er argumenten om de voogdij bij Bureau Jeugdzorg te laten en zo ja welke?

In fase II onderzoekt de voogdijwerker in hoeverre de huidige opgroeisituatie van het kind overeenstemt met wat gewenst is, ook met het oog op een stabiel opvoedingsarrangement.

In fase III bestendigt de voogdijwerker de meest wenselijk geachte gezagsformule om in fase IV de bemoeienis van Bureau Jeugdzorg af te ronden of beargumenteerd voort te zetten.

Welke dilemma’s komen voogdijwerkers tegen als ze met voogdijoverdracht aan de slag gaan?
•Wie wil zich aan deze gedragsgestoorde autistische puber committeren?
•Kunnen en/of willen ouders en/of pleegouders het zonder mij?
•Ben ik onmisbaar of maak ik me onmisbaar?
•In hoeverre moet ik als voogdijwerker als buffer blijven fungeren tussen ouders en pleegouders?
•Wat zijn financiële implicaties van de nieuwe gezagsformule voor bijvoorbeeld erfrecht, pleegzorgvergoeding, PGB’s die al dan niet bij het belastbaar inkomen van de gezagsdrager worden opgeteld, studiefinanciering, onderhoudsplicht?
•In hoeverre zijn rechters, de Raad voor de Kinder­bescherming en andere ketenpartners bereid om mee te werken?
•Moet ik weer over veiligheid beginnen met pleegouders terwijl ze zijn gescreend door de pleegzorg?
•Wat als ouders zelf weer de voogdij willen na voogdijoverdracht?
•Kan ik het onderwerp met betrokkenen wel aansnijden als ik nog niet goed kan overzien welke implicaties verschoven gezag heeft?

De dilemma’s zijn niet zo maar op te lossen. In de praktijk blijven ze passeren en steeds moet er situatiegebonden naar oplossingen gezocht worden. Het creëren van de juiste randvoorwaarden is een belangrijke stap om verder te komen. Binnenkort komen de juristen van de pilotlocaties bij elkaar om een juridische bijsluiter op te stellen. Verder verdient voorlichting aandacht, zodat alle betrokken instanties en personen een zelfde focus hebben en de kans krijgen mee te denken met deze ingewikkelde, maar pedagogisch o zo belangrijke materie.                    <

Mirte Loeffen is projectleider methodiek Verschoven Gezag. Zij is als adviseur werkzaam bij Collegio, kennispraktijk voor de jeugdzorg en redacteur van Mobiel. Dit artikel is een bewerking van een artikel dat zij schreef voor het Tijdschrift voor kinderrechten.

(1) Een methode om de hulpverlening te bepalen in samenwerking met het betreffende gezin en stapsgewijs uit te voeren.


Tags: , ,