‘Dag van de pleegzorg’ benadrukt ontwikkeling kind

Elk jaar wordt tweemaal de Dag van de jeugdzorg georganiseerd. Dit jaar was er ook een dag speciaal over pleegzorg. Een dag voor directeuren, managers, beleidsmakers en adviseurs bij mini­steries, provincies, gemeenten, zorg­aanbieders, Bureaus Jeugdzorg en de Raad voor de Kinderbescherming. De prijs was er ook naar. Vooral voor pleegouders, van wie er ook een aantal was, was dat een struikelblok. De dag gaf een overzicht van de actuele ont­wikkelingen binnen pleegzorg en dat zijn er nogal wat.

De trends zijn dat het ontwikkelings­belang van het kind centraal moet staan in de besluitvorming en dat methodieken zichzelf bewezen moeten hebben: ‘evidence based’. De besluiten moeten helder en navolgbaar genomen worden en tijd is belangrijk voor een kind in ontwikkeling. Het was goed om beroepskrachten vanuit verschillende bestuurlijke richtingen te horen praten over dingen die pleeg­ouders vaak al jaren roepen. Als de plannen doorgaan, gaat er veel ten goede veranderen. Een aantal in­leiders begon hun verhaal met sprekende getallen. Het maximale bedrag dat per jaar nodig is voor een pleegkind bedraagt ? 6.300,-. Een plaats in een gesloten justitiële kinderbeschermingsinrichting kost ? 107.000,- per jaar. Er zijn 7000 kinderen die onder voogdij staan. Problemen ontstaan voor 70-80% vóór het zesde levensjaar. Op zes­jarige leeftijd is 90% van de hersenen gevormd, daarna kan je alleen nog wat bijschaven.

Gecompliceerd

Dr. Tonny Weterings, pedagoog en onderzoeker aan de Universiteit van Leiden, opende haar betoog met de stelling dat pleegzorg de meest gecompliceerde vorm van jeugdhulpverlening is. De hulpverlener heeft te maken met de ouder, terwijl de hulp is bedoeld voor het kind, waarmee de hulpverlener slechts contact kan hebben als de ouder toestemming verleent. Boven­dien is de ouder vaak een onderdeel van het probleem. Uit onderzoek blijkt dat het beleid ten aanzien van kinderen en ouders voornamelijk gebaseerd is op emotionele over­wegingen. Iedereen is zelf kind ge­weest en heeft of had ouders.

Beslissingen worden vaak vanuit deze ervaringen genomen. Men gaat uit van het idee dat iedere ouder het beste wil voor zijn kind en dat ieder kind het beste door zijn ouder opgevoed kan worden. Zo wordt een uithuisplaatsing principieel als tijdelijk gezien, ook al woont het kind al tien jaar bij pleegouders. Degene die hierin beslissingen neemt en daartoe de macht heeft, kan vaak moeilijk op een besluit terugkomen. Het wordt vaak gezien als een afgang, een gebrek aan kennis. Beide zaken werken in de hand dat in gelijke situaties verschillende strategieën gevolgd kunnen worden. Daarom pleit Weterings voor landelijke richtlijnen voor alle Bureaus Jeugdzorg en pleegzorginstellingen. Dit idee komt ook terug in de CDA-nota: ‘Gezin boven tehuis’ (1) die in september 2008 in de Tweede Kamer wordt besproken.

Verder ziet Weterings graag dat er meer gewerkt wordt op grond van feiten. Het beleid moet meer gericht zijn op de ontwikkeling en de bestaanszekerheid van het kind. Ook de richtlijnen voor de ondertoezichtstelling moeten aansluiten op theoretische kennis over de ontwikkeling van kinderen en de voorwaarden hiervoor. Deze ideeën komen ook terug in de wetsvoorstellen voor de herziening van de kinderbeschermingsmaatregelen (2). Het belang van het kind wordt in deze wetsvoorstellen veel duidelijker dan voorheen gedefinieerd, dit maakt het mogelijk dat het kind zich adequaat kan ontwikkelen.

Rechtspositie verandert

Mariska Kramer licht als jurist het wetsvoorstel voor de herziening van kinderbeschermingsmaatregelen toe. De drie hoofdpunten zijn:

Wijziging van de gronden van de kinderbeschermingsmaatregelen

Wijziging in de verantwoording

Wijziging in de rechtspositie

De rechtsingang van pleegouders bij de kinderrechter wordt verruimd. Zij krijgen meer mogelijkheden om problemen bij de rechter aan te kaarten. Voor de zorgaanbieder (pleegzorginstelling) wordt een rechtsingang gecreëerd. De pleegzorginstelling kan in de toekomst zelf naar de rechter stappen als de instelling het met het beleid niet eens is, bijvoorbeeld een kind terugplaatsen bij zijn ouders. Verder komt er blokkaderecht bij alle plaatsingen langer dan een jaar en niet alleen bij plaatsingen binnen het vrijwillige kader of bij voogdij. Tot slot komt, in de gronden voor gezagsbeëindigende maatregelen, het belang van het kind centraal te staan. Het belang hiervan gaf Tonny Weterings eerder al aan. Kramer legt vooral de nadruk op het grote belang van pleegzorginstellingen die straks naar de rechter kunnen stappen als ze menen dat het (ontwikkelings-)belang van het kind niet gediend is met het voorgenomen beleid van Bureau Jeugdzorg.

Er waren meer sprekers die de nadruk legden op het hanteren van navolgbare beslissingen. Bij Spirit (pleegzorg Amsterdam) heeft men een beoordelingsboog ontwikkeld die in twaalf stappen een advies over het toekomstperspectief vorm en structuur geeft (3). Het werken met deze boog, direct vanaf de start van de hulpverleningsvariant, draagt bij aan een procesmatige werkwijze.

Gezag bij mensen

Professor Opvoedkunde Jo Hermanns van de Universiteit van Amsterdam stond stil bij de tijdsdimensie in de pleegzorg. Tijd is geen sturend mechanisme in de pleegzorg, terwijl het voor de ontwikkeling van kinderen erg belangrijk is. Buiten de hulpverlening wordt tijd wel zo gebruikt. Je stelt vast wanneer iets klaar moet zijn en rekent van daaruit terug wanneer welke stappen gezet moeten worden. In de twee varianten van pleegzorg wordt tijd wel genoemd als belangrijke factor, zeker in de hulpverleningsvariant. Als binnen een half jaar van intensieve hulpverlening geen verandering optreedt, hoef je het de volgende week ook niet te verwachten. Voor de opvoedingsvariant zou je ook een dergelijke tijdsplanning moeten uitwerken. Hermans schreef in samenwerking met Collegio de nota ‘Verschoven gezag, methodisch werken in de voogdij’ (4). Hij pleit er onder andere voor, dat meer voogdij­maatregelen worden overgedragen aan een natuurlijk persoon, bij voorkeur de pleegouder. Naast verzorging, opvoeding, bescherming, vermogensbeheer en eventueel hulp, heeft een kind ook commitment nodig: voor het kind gaan. ‘Proberen of het lukt met een plaatsing’ is geen commitment. Binnen de opvoedings­variant wordt een kwart van de plaatsingen voortijdig afgebroken en iedere afgebroken plaatsing verhoogt de kans op nieuwe plaatsingen. Een kind heeft duurzaamheid nodig zonder onderbrekingen en de plaatsing moet niet met achttien jaar stoppen. Er is geen kind dat zichzelf met achttien jaar kan redden en zeker geen pleegkind. De voogdij moet daarom tot het 23e jaar doorgaan. Uit onderzoek van Anne Maaskant (5) blijkt dat kinderen heel goed contact met hun eigen ouders kunnen onderhouden terwijl pleegouders de dagelijkse zorg en het gezag hebben.

De kwaliteit van de zorg heeft veel te maken met de duurzaamheid van de plaatsing. Jo Hermans is er een voorstander van dat de voogd als methodisch doel heeft om op redelijk korte termijn (binnen maximaal twee jaar na de start van het jeugdbeschermingstraject) toe te werken naar een duurzame relatie met een of twee natuurlijke personen.

Vanuit een andere hoek werd duidelijk hoeveel haken en ogen het verkrijgen van pleegoudervoogdij (gezag bij een natuurlijke persoon) kan hebben. Ida Plasma, pleeg­moeder, vertelde over haar eigen ervaringen, onder andere over de financiële perikelen. Er ligt ondertussen jurisprudentie dat de overheid ook verantwoordelijk is voor de bijzondere kosten van een kind waarvan de pleegouders de pleegoudervoogdij hebben, maar wie moet dat nu gaan betalen? Daar is nog geen helderheid over.

Ontwikkeling kind

Dr. Peter van de Bergh, verbonden aan de Universiteit Leiden als orthopedagoog, was de laatste spreker van de dag. Hij onderstreepte nogmaals dat het recht van de ouders momenteel voorop staat in de kinderbeschermingsmaatregelen. Het ontwikkelingsbelang van het kind is daaraan ondergeschikt. In de toekomst kan het recht nog wel bij de ouders blijven, maar moet het ontwikkelingsbelang van het kind op de eerste plaats komen. De afgelopen tien jaar verdubbelde het aantal kinderen dat gebruik moest maken van pleegzorg. Opvallend daarbij is dat kinderen op steeds jongere leeftijd in pleegzorg komen. Ook is een toename zichtbaar van het aantal jonge pleegkinderen met ernstige problematiek, waaronder psychische problemen, gedrags­problemen en hechtingsstoornissen.

Onderzoek laat zien dat de basis voor de persoonlijkheidsontwikkeling wordt gelegd in de eerste vijf levensjaren door een hechtings- en opvoedingsrelatie. De persoonlijkheidsontwikkeling loopt schade op door het afbreken van zo’n relatie. De omgang met het jonge kind is belangrijk en de bloedband is geen garantie voor een adequate opvoeding. Uit onderzoek dat Van den Bergh deed (6), wordt in een relatiediagram duidelijk dat pleegkinderen hun pleegouders als belangrijkste figuren zien. Ook is er duidelijk contactgroei na vijf tot zes jaar verblijf in een pleeggezin. Het pleegkind gaat vooruit bij adequate stimulering en begeleiding. Als hoofdlijnen voor het beleid formuleert hij dat ouders belangrijk zijn en blijven in het leven van een kind.

Kinderen hebben echter recht op opvoeding, aangezien ze een aantal ontwikkelingstaken moeten volbrengen. Ouders hebben het recht en de plicht om op te voeden. Als ze dat onvoldoende doen, moet een kind naar een pleeggezin. Net als de andere sprekers onderstreept Van den Bergh het tijdsbestek voor een dergelijk besluit en de heldere criteria die daarbij nodig zijn.

(1) – C. Çörüz, M. Sterk: ‘Gezin boven tehuis’, november 2007. Zie ook www.parlement.com/ 9291000/bio/02294.

(2) ‑‘Kinderen eerst.’ Advies van de werkgroep wetgeving voor de aanpassing van de kinderbeschermingswetgeving, in opdracht van het Ministerie van Justitie, in het kader van het beleidsprogramma Beter Beschermd, Utrecht, 2006.

(3) ‑Zie Mobiel 3 2008, pagina 22

(4) ‑Jo Hermans: ‘Verschoven gezag, methodisch werken in de voogdij’, januari 2008.

Zie ook www.collegio.nl/kennispraktijk. En zie ook artikel op pagina 12.

(5) ‑Anne Maaskant: ‘Kind tussen pleegouders en ouders’, SWP Amsterdam 2007.

(6) ‑P. van den Bergh en T. Weterings: ‘Pleegzorg, jeugdzorg voor het kind’, Agiel Utrecht 2007.


Tags: ,