Netwerkpleegzorg … natuurlijk dichtbij!

Auteur: Riet Portengen  

Als kinderen tijdelijk of helemaal niet meer bij hun ouders kunnen opgroeien, is de eerste optie om te kijken of er binnen de familie of het sociale netwerk een plekje voor hen is. Een natuurlijke oplossing voor een minder vanzelfsprekende situatie. Belangrijk is dat de netwerkpleegouders van jeugdzorg (1) de ondersteuning krijgen die zij nodig hebben om het kind op te vangen. Alles wat zij zelf kunnen, doen zij zelf. Dit lijkt ook heel natuurlijk. Toch blijft de schoen wringen… de jeugdzorg lijkt netwerkpleegzorg namelijk niet altijd zo natuurlijk te vinden!

Dichtbij

Voor een kind dat niet meer bij de ouders kan wonen, is het fijn om in een vertrouwde omgeving terecht te komen. Bij mensen die het kind kent, die zijn ouders kennen en die uit ervaring weten hoe zijn ouders kunnen reageren. Mensen die vertrouwd zijn met gewoonten en gebruiken in de familie of binnen de eigen cultuur. Vaak vinden kinderen het fijn om op dezelfde school te blijven, de eigen vriendjes te houden en naar dezelfde sportclub te gaan. Alles wat niet hoeft te veranderen, betekent minder verlies voor het kind. Het kind hoeft zich dan niet op alle fronten opnieuw aan te passen en te knokken voor een plekje. Dichtbij kan ook betekenen letterlijk dichtbij de ouders. Dat kan veel voordelen bieden: gemakkelijker en vanzelfsprekender contact en continuïteit in het netwerk van het kind.

Continuïteit

De jeugdzorg is vanwege het kind moreel verplicht om niet alleen samen te werken met de ouders, maar ook met de familie en het sociale netwerk van het kind. De familie kan het kind continuïteit in het leven bieden. Zij hebben een gemeenschappelijke familiegeschiedenis, zijn loyaal aan het kind en geven betekenis aan het gevoel ‘ergens echt bij te horen’. Het kind kan daar ook na zijn achttiende jaar nog terecht. Hulpverleners sluiten een casus af als er geen hulpvraag meer is of als het kind meerderjarig is. Zij dragen de casus over als zij een nieuwe baan krijgen of omdat het zo uitkomt in de organisatie van het werk. De jeugdzorg moet voorkomen dat kinderen na hun achttiende jaar vervreemd zijn van de mensen die hen in de toekomst iets essentieels te bieden hebben. Uit verschillend onderzoek blijkt dat veel kinderen die in residentiële voorzieningen of bestandspleeg­gezinnen hebben gewoond, na hun achttiende ‘eenzaamheid’ als één van de grootste problemen ervaren.

Zij zijn tijdens hun plaatsing vervreemd van hun familie en hun sociale netwerk. Voor pleegkinderen geldt dit als zij in een bestandsgezin hebben gewoond, waar het niet goed gegaan is. Zij verliezen dan vaak het contact met de pleegouders en met de familie van de pleegouders. De jeugdzorg moet zich realiseren dat zij slechts een tussenstation is in het leven van een kind, dat zij geen continuïteit biedt en dat zij moet samenwerken met de mensen die dat wel kunnen en willen!

Ja, maar …

Is het kind wel veilig binnen de eigen familie? Krijgt het kind wel voldoende kansen om zich te ontwikkelen? Zijn netwerkpleegouders wel gemotiveerd om samen te werken met pleegzorg? Hoe kun je hen screenen? Willen zij wel begeleiding en doen zij wel wat goed is voor het kind? Als het mis gaat, is het kind dan niet alles kwijt? Dit zijn de vragen die telkens weer de kop op steken. Zo hier en daar duiken verhalen op hoe rampzalig de samenwerking met een netwerkpleeggezin is verlopen; soms vanuit hulpverleners en soms vanuit de netwerkpleeggezinnen. De vragen rond de veiligheid en de ontwikkeling van het kind zijn zeker belangrijk. Veiligheid, ontwikkeling en continuïteit zijn de drie condities waar de jeugdzorg zich op moet richten. Binnen verschillende pleegzorgvoorzieningen is het aantal netwerkplaatsingen de laatste jaren aanzienlijk toegenomen. Alle goede ervaringen wijzen erop dat netwerkpleegouders volwaardige pleegouders zijn, die het kind opvangen en opvoeden vanuit een ander perspectief. Het perspectief van een natuurlijke verbondenheid met het kind en de ouders. Dit vraagt van de jeugdzorg samenwerking met de ouders, de netwerkpleegouders en andere mensen die voor het gezin belangrijk zijn. Ouders kunnen dan, samen met het kind en belanghebbenden, de kans krijgen om zelf een besluit te nemen waar het kind het beste op kan groeien.

Startmodule is begin samenwerking

De startmodule netwerkpleegzorg biedt mogelijkheden om een goede start te maken met netwerkpleegouders. Diverse pleegzorgaanbieders werken met de startmodule in verschillende varianten. De startmodule geeft de mogelijkheid om in een periode van drie maanden tot een besluit tot samenwerking te komen. Dat wil zeggen dat de ouders en (beoogde) netwerkpleegouders het besluit nemen om samen te werken met de pleegzorgaanbieder. De pleegzorgaanbieder neemt het besluit dat hij kan en wil samenwerken met de ouders en het (beoogde) pleeggezin.

De netwerkpleegzorg kent drie verschillende startsituaties. Het kind verblijft al in een netwerkgezin, de ouders en/of het kind hebben een netwerkgezin op het oog of de mogelijkheden van een netwerkgezin moeten nog onderzocht worden. De startmodule biedt in alle drie de situaties de kans om de mogelijkheden te onderzoeken en daarop verder te bouwen. De startmodule bestaat uit zeven verschillende onderdelen en begint altijd met een startgesprek. Hiervoor worden de ouders, het kind, het eventuele netwerkgezin, samen met de aanmelder en andere hulpverleners die een rol spelen, uitgenodigd om een gezamenlijk actieplan te maken voor de komende drie maanden. De samenwerking tussen jeugdzorg en pleegzorg is essentieel. Bureau Jeugdzorg moet vanaf de eerste dag dat een kind aangemeld wordt, openstaan voor het samenwerken met familie en sociaal netwerk en er daadwerkelijk mee aan de slag gaan.

De overige onderdelen van de startmodule kunnen in willekeurige volgorde gebruikt worden. Dit zijn:

•   De netwerkverkenning en -analyse

Een genogram geeft een beeld van de samenstelling van de familie, een ecogram van de omvang van het sociaal netwerk en een sociogram van de kwaliteit van het sociaal netwerk. Dit laatste vanuit het perspectief van de ouders en het kind. De levenslijn biedt de kans om aan de hand van leuke en minder leuke herinneringen te kijken wie er allemaal een rol speelden in het leven van het kind en zijn ouders.

•   Het familienetwerkberaad

Een bijeenkomst waarin ouders, kinderen en voor hen belangrijke leden van de familie en het sociale netwerk besluiten nemen, plannen maken en bedenken hoe zij dat plan met elkaar gaan uitvoeren. Zij kunnen daarbij aangeven welke ondersteuning zij eventueel van professionals nodig hebben. Een familienetwerkberaad bestaat uit drie fasen. In de informatiefase krijgt de familie informatie over de situatie, over mogelijke hulpvormen van de zorgaanbieder en zonodig over de minimale eisen waaraan het plan moet voldoen in verband met de veiligheid en ontwikkeling van het kind. De deelnemers kunnen vragen ter verduidelijking stellen. Vervolgens verlaten alle professionals de ruimte en hebben de deelnemers privétijd om een plan te maken; zolang als zij nodig hebben. Als zij klaar zijn, presenteren zij hun plan aan de coördinator en eventueel de gezinsvoogd. De coördinator is hierbij over het algemeen de pleegzorgwerker.

•   De competentiebalans

Door samen met het (beoogde) netwerkgezin een competentiebalans te maken, vertellen zij over hun krachten, hun mogelijkheden en hun dilemma’s en vragen.

•   De indicatiespiegel

De indicatiespiegel is een instrument om samen met ouders, netwerkouders en/of collega’s de indicaties, de zorgen en eventuele contra-indicaties voor het kind in een specifiek gezin af te wegen.

•   Het voortgangsgesprek

Na zes weken komen de deelnemers aan het startgesprek weer bij elkaar om met elkaar de voortgang van het plan te bespreken en eventueel aan te passen. Soms worden hier nog andere mensen bij uitgenodigd die een rol zijn gaan spelen, bijvoorbeeld een oom of tante of een professional.

•   Het besluit tot samenwerken

Na drie maanden nemen zowel het netwerkgezin als de pleegzorgaanbieder een besluit tot samenwerking. De resultaten van drie maanden samenwerking vormen de basis van het besluit. Dat zijn de bouwstenen waarop verder gebouwd gaat worden. Die vormen het samenwerkingsplan. Soms moet men tot het besluit komen om niet met elkaar te kunnen of te willen samenwerken, omdat bij een plaatsing in het netwerkgezin de veiligheid en ontwikkeling van het kind niet te waarborgen is.

Netwerkpleegzorg: kansen voor de toekomst

Na het besluit tot samenwerking start het gezinsteam. Een gezinsteam bestaat uit ouders, jeugdige, netwerkpleegouders en een aantal vertegenwoordigers van de familie en het sociale netwerk. Daarnaast nemen de professionals deel die een rol spelen in de ondersteuning en begeleiding van netwerkpleegouders en hulpverlening aan ouders en kind. Het gezinsteam komt minimaal een keer per zes maanden bij elkaar om de voortgang te bespreken en om het plan van aanpak aan te passen aan nieuwe ontwikkelingen en zorgen. Netwerkpleegzorg biedt veel kansen voor de toekomst van een kind dat (tijdelijk) niet bij ouders kan opgroeien. Het is aan jeugdzorg om deze kansen optimaal te benutten, om de samenwerking met families en sociaal netwerk betekenis te geven vanuit dialoog, vertrouwen en ondersteuning!                       <

(1) Met jeugdzorg wordt zowel Bureau Jeugdzorg als de pleegzorgaanbieder bedoeld.

Drs. M.C. (Riet) Portengen mld werkt vanuit TOPIC, een bureau voor methodiek-, organisatie- en beleidsontwikkeling. Zij ontwikkelde o.a. nieuwe methodieken voor de netwerkpleegzorg, Terug naar Huis-programma’s, sociale netwerkstrategieën en gezinscoaching. Voor informatie kunt u mailen naar: topic@globalxs.nl.


Tags: , ,