Wat hebben pleegouders aan de wetenschap?

Auteur: Jolanda Stellingwerff  

Deze winter organiseerde vereniging De Knoop tweemaal een lezing van prof. dr. Carlo Schuengel, hoogleraar orthopedagogiek aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Professor Schuengel sprak over verstoorde gehechtheid en waar wetenschappers wel en niet mee kunnen helpen. Zijn verhaal ging over diagnose en behandeling, maar hij gaf ook een helder stappenplan met vragen.

Wetenschappelijk onderzoek naar hechting is vooral gericht op ‘gewone’ gezinnen met veilige relaties. Over verstoorde gehechtheid is weinig bekend, terwijl de mensen die daarmee te maken hebben, zoeken naar verbeteringen en oplossingen. Voor het benoemen van verstoorde gehechtheid worden veel termen gebruikt. De reactieve hechtingsstoornis is de enige internationaal erkende vorm binnen de psychologie. Andere termen, zoals Geen-Bodem-Syndroom of fundamentele relatiestoornis, worden in beperkte kring gebruikt. Rode draad is gehechtheid in plaats van veiligheid: het is bij verstoorde hechting niet de (on)veiligheid, maar de gehechtheid die het kind angstig maakt. Er zijn dus weinig onderzoeksresultaten, terwijl problemen van en rondom kinderen met verstoorde gehechtheid groot zijn. Veel therapieën zijn beschikbaar, maar ook hiervan is het effect vaak niet wetenschappelijk onderzocht. Therapieën als attachment therapy, regression therapy, bonding therapy, holding therapy en ouder-kindtherapie zijn wetenschappelijk moeilijk toetsbaar omdat ethische commissies gespitst zijn op risico’s. Zo zijn in de Verenigde Staten ernstige ongevallen bekend met bonding therapy.

Stappenplan met vragen

Officieel stelt een psychiater de diagnose, maar in de praktijk doen ook anderen dit. Schuengel heeft een praktisch stappenplan met vier vragen waarmee ouders/verzorgers een diagnose kunnen controleren:

1.  Wat bedoelt u precies met deze diagnose?
‑Wat verstaat deze arts/psychiater/gedragsdeskundige onder verstoorde gehechtheid?
2.  Waar baseert u deze diagnose op?
‑Is er alleen in het dossier gekeken, zijn meerdere typen relaties van het kind onderzocht, welk protocol is gevolgd?
3.  Hoe komt het dat mijn pleegkind zo gediagnosticeerd is?
-Wat kan de oorzaak zijn?
4.  Wat kunnen we eraan doen?
‑Samenwerking tussen behandelaars en opvoeders is voorwaarde voor slagen.

Waar de wetenschap vooralsnog duidelijk over is: het is nooit te laat. Niets wijst erop dat het nooit meer goed komt. Schuengel vertoonde ter illustratie een film over Roy (16), slechtziend en met Downsyndroom. Na jaren van zelfbeschadiging en geweld tegen hulpverleners is het de therapeut gelukt om contact te maken. Er is dus hoop!

De Knoop

De Knoop is een landelijke vereniging voor hechtingsstoornissen/Geen-Bodem-Syndroom. Ervaringsdeskundigen (geen hulpverleners) bemannen de telefoon. In de nieuwsbrief staan ervaringen, worden vragen beantwoord en wordt gepubliceerd over therapieën. De Knoop plaatst ook artikelen van derden, om haar lezers zo breed mogelijk te informeren. Een inhoudelijk oordeel hierover laat men aan de lezer over. Doel van de vereniging is het bieden van ondersteuning, bekendheid geven aan het onderwerp, erkenning zoeken bij specialisten/wetenschappers en samenwerken met specialisten. De Knoop is telefonisch bereikbaar via: 0527-614504.

Meer informatie:
www.psy.vu.nl/fpp.php/departments/specialeducation – website van de VU, afdeling orthopedagogiek.
www.deknoop.org – website van vereniging De Knoop. Hier kunt u ook de lezing bestellen (à € 3,00).


Tags: , ,