Wat bedoelt men eigenlijk met hechting?

Als er een woord veel wordt gebruikt binnen de pleegzorg, dan is het wel hechting. Zowel pleegouders als hulpverleners houden er vaak eigen theorieën op na. Theorieën die zijn opgebouwd uit stukjes kennis, stukjes eigen opvoeding, stukjes eigen ouderschap en beelden van andere plaatsingen. Voor wie zich daar niet van bewust is, is het lastig om met elkaar over hechting te spreken. Want wat bedoelt de ander nou precies? Naar hechting is veel wetenschappelijk onderzoek gedaan. In dit artikel zetten we een paar zaken over hechting op een rijtje.

De theorie over hechting

De Engelse psychiater en psychotherapeut Bowlby stelde eind jaren zestig van de vorige eeuw een theorie op over de betekenis van hechting. Hij stelt dat hechting een aangeboren behoefte is bij ieder kind. Die is in eerste instantie nodig om te overleven. Ieder kind beschikt over gedragingen die verzorging en bescherming uitlokken bij volwassenen. De volwassene gaat extra zorg verlenen aan dit kind. Zo ontstaat er een omgeving waarin het kind praktische kennis kan opdoen. Door de steun die het kind ervaart, ontwikkelt het vertrouwen in de beschikbaarheid van de opvoeder, durft het op onderzoek uit te gaan en krijgt het zelfvertrouwen.

Betekenis van woorden

Het woord ‘hechting’, zoals dat in de hulpverlening wordt gebruikt, is een vertaling van het Engelse woord ‘attachment’. In deze zin wordt het bedoeld als ‘aan zich hechten’. In het Engels heet de bijlage van een e-mail ook een attachment, dan gaat het om een aanhangsel. Ook in onze taal gebruiken we het woord ‘hechting’ op verschillende manieren. In goed Nederlands kan een kind gehecht zijn aan een konijn. Of we zijn erg gehecht aan de ring van oma. In de wetenschappelijke betekenis van het woord kan dit niet. Daar bedoelt men met hechting de functie van bescherming, troost of begrip voor elkaar. Hechting is een onderdeel van de relatie die mensen met elkaar hebben. De woorden hechting en attachment hebben in hun eigen taal dus een iets andere betekenis en in het Nederlands gebruiken we het woord hechting anders dan puur in de theoretische betekenis van het woord. Hoezo Babylonische spraakverwarring…

Veilig of onveilig hechten

Mary Ainsworth deed naar aanleiding van de theorie van Bowlby verder onderzoek. Zij bestudeerde de reactie van kinderen na scheiding van hun opvoeder. Zoals passend in die tijd bestudeerde ze hiervoor kinderen na scheiding van hun moeder. De kinderen werden, zonder hun moeder, naar een onbekende omgeving gebracht en hadden contact met een voor hen onbekend persoon. Daarna bracht ze de kinderen terug en keek wat er gebeurde.

Ze zag dat er verschillende reacties waren. Sommige kinderen zochten lichamelijk contact en vertelden over hun gevoelens. Andere kinderen deden een sterk beroep op hun moeder, maar raakten niet snel gerustgesteld; ze bleven boos en kwamen niet tot spel. Weer andere kinderen negeerden hun moeder en leken ogenschijnlijk niet aangedaan door de scheiding. Toch was hun spel erg oppervlakkig en zo was te zien dat ze gespannen waren.

Aan de hand van deze observaties maakte Ainsworth een indeling in de aard van een gehechtheidsrelatie. De groep kinderen die zich gemakkelijk liet geruststellen, noemde ze ‘veilig gehecht’. De groep kinderen die een sterk beroep op hun moeder deed, maar toch niet snel waren gerustgesteld, noemde ze ‘onveilig gehecht’. De kinderen die hun moeder negeerden, gaf ze de term ‘vermijdend’ mee. Deze termen worden nog altijd veel gebruikt.

Naderhand ontdekte men dat er nog een groep kinderen is die alle drie de gedragingen door elkaar laat zien. Die groep heet ‘gedesorganiseerd gehecht’. Voor deze groep worden ook wel andere termen, zoals ‘chaotisch gehecht’ of ‘verstoord gehecht’ gebruikt. Ook hier speelt het vertalen naar een Nederlandse term een rol. Helaas is er nog weinig onderzoek gedaan naar meerdere opvoeders dan alleen de moeder. Wel is bekend dat kinderen zich aan meer dan een figuur kunnen hechten, al is er wel sprake van een hiërarchie.

In 1992 is er een onderzoek door Van IJzendoorn, Sagi en Lambernom gedaan waarin de hechting van kinderen aan hun vader, moeder en de opvoeder van de kinderopvang werd vastgesteld.

Uit dit onderzoek blijkt dat hoe meer onveilige gehechtheidrelaties kinderen hebben met hun opvoeders, hoe ongunstiger hun sociaal emotionele ontwikkeling verloopt. Dit onderzoek is dus geen ondersteuning voor de hypothese dat vooral de relatie met moeder de latere ontwikkeling van een kind zal beïnvloeden. Er is echter verder onderzoek nodig om deze bevinding te bevestigen en te verfijnen.

Beheersingspatronen

Dr. G. de Lange ontwikkelde in 2002 als orthopedagoog bij jeugdinrichting Den Eng een denkmodel naar aanleiding van zijn betrokkenheid bij hechtingsgestoorde kinderen. De Lange stelt dat de mens niet gedreven wordt door weerstand van zijn omgeving, zoals de bekende psychoanalyticus Freud stelt, maar dat de mens groeit als er een adequaat antwoord op zijn behoeften wordt gegeven. Vervolgens ontwikkelt de mens beheersingspatronen die een evenwicht in stand houden tussen enerzijds zijn eigen behoeften en anderzijds de eisen vanuit de wereld om hem heen. De Lange noemt hier als voorbeeld een kind dat zijn blaas moet leren beheersen. Het kind moet zorgen dat zijn broek droog blijft, maar ook rekening houden met het feit dat het niet zomaar de les uit kan lopen. Beheersing vormt een evenwicht tussen de behoeften en de vervulling die geboden kan worden.

Uit al het bovenstaande blijkt dat er veel factoren in het spel zijn voor een gezonde ontwikkeling naar zelfbewuste volwassenheid. In ieder geval staat vast dat een kind dat zich gesteund voelt en aan wiens basisbehoeftes van kleins af aan is voldaan, met meer zelfvertrouwen zijn omgeving tegemoet zal treden. Dat noemen we in pleegzorgland hechting.


Tags: , ,