Een pleegzoon die zich moeilijk kan hechten

Johan (13) woont al enige jaren bij Herman en Maya. Door wat Johan in zijn eerste levensjaren meemaakte, vertrouwt hij de volwassenen om zich heen niet. “Een kind dat zich moeilijk kan hechten,” zeggen de hulpverleners. Hoe ziet dat er uit in een pleeggezin? Herman en Maya vertellen.

“Johan kwam in 2002 bij ons wonen. Ik herinner mij dat nog, omdat de euro toen werd ingevoerd. Hij had allerlei kleingeld bij zich: stuivers, dubbeltjes en dat moest worden omgewisseld. Johan was een kind met buien, maar ook gezellig. Hij wilde gezellige dingen doen. Vooral picknicken, bij het minste straaltje zon wilde hij picknicken. Daarnaast was Johan heel angstig. Zo kon hij slecht inslapen, ondanks dat hij ons kon zien vanuit zijn bed (we woonden toen nog in een patiowoning) en plaste hij in bed. Hij had ook altijd dezelfde nachtmerrie, die nachtmerrie kennen we nog.”

Wanneer kwam het vermoeden dat er meer aan de hand was?

“Na een paar maanden zouden we vogels gaan vangen. In de winter, dat wel, want alles moet altijd meteen, het kan niet wachten. Onderweg naar het park zei Johan dat hij iets wilde vertellen, maar dat niet durfde. Pas nadat ik hem uitdrukkelijk had beloofd dat ik écht niet boos zou worden, zei hij: “Ik zou het liefst een mes in jouw kut omdraaien.” Een schokkend moment, maar achteraf waren er meer signalen. Schreeuwen, zich op de grond laten vallen of in een winkel opeens verdwijnen. We hebben hem echt moeten leren dat wij hem moeten zien, dat hij oogcontact maakt voordat hij van ons wegloopt. Hij maakte altijd enorme stennis als hij ergens weg moest. We hebben bij school regelmatig lang staan wachten om er maar geen drama van te maken. Het leek wel een test, of je zou blijven en niet van hem zou weglopen.”

Hebben jullie hier hulp bij ingeschakeld?

“We hebben voortdurend hulp gevraagd. Helaas kwamen de begeleiders niet verder dan een beloningssysteem. En nee, dat werkte niet. Je verwacht iets van hulpverleners, maar wij kwamen er vooral achter dat ze minder wisten dan wij. We moesten ook leren dat hulpverleners niet altijd doorhebben wat er aan de hand is. Eén werker, daar hadden we wel wat aan, die zocht samen met ons door. Later heeft hij ook een studie gedaan naar dit soort kinderen.

De eerste periode gingen we vooral door en zochten we informatie over wat er aan de hand kon zijn. We hadden nog geen internet, toen we dat eenmaal hadden, vonden we gemakkelijker informatie. We stelden voortdurend vragen waar de hulpverlening geen antwoord op had. Via e-mail schreven we lange tijd over wat er allemaal gebeurde, maar uiteindelijk zijn we daarmee gestopt. Het kost veel tijd en wat verandert het?
Met z’n tweeën filosoferen over wat er aan de hand kan zijn en hoe we met dingen omgaan, helpt wel. Nu hebben we meer grip op wat er gebeurt en hebben we een aantal zaken gereorganiseerd. Wat we geleerd hebben, is de lat laag te leggen. Als er iets moet, bereiden we Johan daar op voor. Er even over praten, zodat het in zijn geheugen zit of hem een voorstel doen, maar nog niet invullen. Hij mag er zelf mee komen. Afdwingen werkt averechts.

Soms escaleert het en moet je toch laten zien wie er de baas is. Zo’n strijd eindigt in een hoop geschreeuw en gehuil. Je moet het dan loslaten en later in gesprek gaan. Als je vlak na een conflict probeert te praten, schreeuwt hij er overheen. Hij is daarna soms zo moe dat hij letterlijk naar bed moet. We proberen dit soort situaties te vermijden. Ik reageer bewust niet macho. De boodschap komt beter over als ik niet op mijn strepen ga staan.”

Gelukkig kent Johan geen rancune. Hij bijt zich er niet in vast. Is het over, dan is het ook over en gaan we weer verder.”

Wat gaat er nu anders?

“Johan is heel bepalend. Zo moet er altijd iemand voor hem zijn. Nu weten we dat het een vorm van controle is. De situatie controleren gaf hem vroeger veiligheid, dus daar houdt hij aan vast. Voor ons betekent het dat we constant iets moeten regelen en eigenlijk nooit iets samen kunnen doen. Eigenlijk moet Johan voelen dat je er tot het uiterste voor hem bent. Ik denk dan: ‘Als hij er om vraagt, zal hij het wel nodig hebben’.

Eten is ook zoiets. Eten is macht. We maken daar geen strijd meer van. We laveren letterlijk tussen de gerechten door. Soms eet hij twee keer per week spaghetti, eet hij bijna niets of maken we voor hem een extra blikje wortelen open. Waar gaat het uiteindelijk om? Dat hij goed eet. Dat houden we vast, in plaats van ons te verliezen in ‘hij moet dit…’ en ‘hij moet dat…’ aan tafel. Er zijn nog dingen genoeg om strijd met hem over te voeren.

Eigenlijk vaar je heel vaak op je intuïtie, maar je moet er altijd over nadenken. Hij kan je soms enorm kwetsen. Gebeurt er iets: eerst een stapje achteruit, niet in je gevoel meegaan, het van je af laten glijden. Pas dan actie ondernemen. In het begin zijn we daar nog wel eens de mist mee ingegaan.

Laatst had Herman roze schriften gekocht voor school. Daar hebben Johan en ik hem samen mee geplaagd. ‘Hoe kun je nou zo dom zijn, Herman. Niet eens alle meisjes houden van roze.’ Ik deed er nog een schepje bovenop. Herman trok het boetekleed aan en speelde het spel mee. Naderhand informeerde Johan hoe Herman het had gevonden, want hij stond best een beetje voor schut. Johan is in de loop van de jaren dus wel empathie gaan tonen. Er is heus een lijntje gelegd.”


Tags: , ,