Band tussen pleegkind en pleegouders onderzocht

Auteur: Jolanda Stellingwerff  

In 2007 verscheen een proefschrift over hechting en pleegzorg. Bijzonder, want dat gebeurt niet zo vaak. Mirjam Oosterman van de afdeling orthopedagogiek van de Vrije Universiteit (VU) in Amsterdam onderzocht gehechtheidsrelaties tussen pleegouders en pleegkinderen. Stabiliteit en steunend, sensitief opvoedingsgedrag hangen samen met de kwaliteit van de gehechtheidsrelatie blijkt uit dit onderzoek. De ernst van gedragsproblemen van pleegkinderen vormt echter een groot risico voor het voortijdig afbreken van een plaatsing.  Mirjam Oosterman legt uit hoe ze te werk ging en wat haar onderzoek betekent voor de praktijk.

“Kinderen worden niet zomaar uithuisgeplaatst. De meeste pleegkinderen hebben een slechte start gemaakt. Het is goed om te kijken hoe je hun leven positief kunt beïnvloeden. De gehechtheidsrelatie tussen pleegouders en pleegkinderen is daarin een belangrijke factor. Het onderzoek is opgezet met prof. dr. Carlo Schuengel, hoogleraar orthopedagogiek aan de VU. Juist omdat er nog zo weinig onderzoek is gedaan naar de band tussen pleegouders en pleegkinderen, liep hij al lang rond met de wens voor dit onderzoek. Het verkrijgen van toestemming voor deelname van alle partijen, bleek in de praktijk het lastigste. Er is in de pleegzorg toestemming nodig van veel partijen, voordat men ergens aan kan meewerken.

Zwakkere stressreactie bij pleegkind

Op dit moment zijn er geen instrumenten waarmee je kan meten in hoeverre er sprake is van gehechtheid. Ons onderzoek is een stap in de goede richting. We wilden zien of de aan- of de afwezigheid van pleegouders leidde tot stress. Daarvoor maakten we gebruik van observaties, vragenlijsten en fysiologische indicatoren als bijvoorbeeld hartslag. Ook keken we of er een verschil was in reactie op de pleegouder of op een vreemde. De reactie van het kind zegt iets over het bestaan van gehechtheid: hoe heftiger de emoties bij het komen en gaan van de pleegouder, hoe meer er sprake is van gehechtheid. Pleegkinderen lieten een zwakkere stressreactie zien, vergeleken met kinderen uit gewone gezinnen. De verschillen werden kleiner naarmate de kinderen langer bij hun pleegouders hadden verbleven, behalve bij kinderen met kenmerken van verstoorde gehechtheid. Deze kinderen lieten juist sterk afwijkende stressreacties zien.

Pleegouders belangrijke informanten

Wij deden verschillende tests om het verschil in mate van gehechtheid aan te tonen. In de praktijk is dit voor psychiaters niet allemaal praktisch inzetbaar, maar de observaties zijn dat wel. Psychiaters kunnen daarmee preciezer kijken bij het stellen van een diagnose. Een ander element uit het onderzoek is het afnemen van vragenlijsten onder pleegouders. Zij zijn belangrijke informanten omdat zij een kind dagelijks meemaken. We namen interviews af over symptomen van verstoorde gehechtheid. Bij de therapeutische gezinsverpleging (TGV) van De Bascule in Amsterdam zijn de resultaten van observaties vergeleken met de uitkomsten van de vragenlijsten. Er blijkt een redelijke overeenkomst te zijn. De TGV van De Bascule voert deze interviews nu standaard in bij binnenkomst van kinderen.
Voor de meeste pleegkinderen is een stabiele plaatsing voldoende om gehechtheid goed te ontwikkelen. Bij een kleine groep pleegkinderen komt deze ontwikkeling niet op gang, zij hebben vaak ook hardnekkige gedragsproblemen. Alleen sensitief opvoedgedrag, waarbij je als pleegouder op de behoeften van het kind afstemt, lijkt daar niet te helpen.

In de Verenigde Staten zijn behandelprogramma’s ontwikkeld die op deze groep gericht zijn en werken. Deze programma’s leggen de nadruk op de opbouw van gehechtheid, maar ook op het reguleren van emoties en gedrag. De symptomen zijn namelijk meestal een optelsom van dingen. Een van die programma’s, MTFC (1), wordt nu in Nederland ingezet en getoetst.

Probleemgedrag voorkomen

Voor het groeien van een band tussen pleegouder en pleegkind is stabiliteit het belangrijkste. Frequente wisselingen moeten worden voorkomen, zodat er tijd is om een band te ontwikkelen. Complexe kinderen doen soms een enorm beroep op pleegouders. Die mensen dienen extra ondersteund te worden, zodat ze het volhouden. Het is moeilijk te zeggen hoe die ondersteuning er het beste uit ziet.

Je kunt, zoals bij MTFC, hulpverleners inzetten bij de dagelijkse begeleiding van een kind. Intensieve en actieve begeleiding kan probleemgedrag voorkomen en positieve pleegouder-pleegkind interacties bevorderen en bekrachtigen. Daarbij moet de begeleider heel alert zijn op signalen van pleegouders. Zij geven goede informatie over het gedrag van een kind. Zij moeten daarom ook goed weten hoe ze dat gedrag moeten plaatsen en welk gedrag ze moeten bevorderen.

Ik hoop dat het onderzoek hulpverleners stimuleert om beter te kijken naar de relatie tussen een pleegkind en een pleegouder. Is het kind gehecht aan pleegouders? Bij een rechtszaak kan het antwoord op deze vraag mede bepalen of het kind teruggaat naar de ouders. Het onderzoek geeft kinderrechters geen vuistregels, maar het bevestigt dat het belangrijk is om bij kinderen individueel goede diagnostiek van gehechtheid te plegen, dat stabiliteit belangrijk is en het vroegtijdig afbreken van een plaatsing veel risico’s met zich meebrengt.

Vervolgonderzoek

Ons onderzoek is gebaseerd op de gehechtheidstheorie van Bowlby (2). Het kan behandelaars meer inzicht geven in de aard en het verloop van de problematiek. Pleegouders moeten wel in een vroeg stadium betrokken worden bij diagnose en behandeling, omdat zij een belangrijke bron van informatie zijn. Dagelijkse situaties kunnen goed gebruikt worden bij het oplossen van de problemen. Het in kaart brengen van gedrag moet ook door pleegouders gebeuren, zodat je aan de hand daarvan kunt bepalen hoe je er op moet reageren.

Nauwe samenwerking

Mijn vakgroep werkt veel samen met de TGV van De Bascule. We zijn bezig om pleegouderrapportage en observatie te combineren bij het stellen van een diagnose. Dat kan een instrument worden om de mate van gehechtheid te meten. Er staat nog geen vervolgonderzoek gepland, maar ik zou dat graag willen. Het is echter intensief onderzoek, instellingen moeten meewerken en pleegouders moeten veel investeren. Ze worden thuis bezocht, moeten op de VU langskomen, dat is veel. De nauwe samenwerking met De Bascule is heel bijzonder. Zij werken veel met kinderen met een complexe problematiek. Wellicht kunnen de door hen geteste programma’s verspreid worden naar andere instellingen.”                          <

(1) Multi Treatment Foster Care (MTFC). Dit programma wordt in Nederland ingezet en onderzocht door het Leger des Heils en De Bascule, zie artikel Mobiel 3, juni/juli 2007.
(2) Zie ook artikel ‘Wat is hechting’ op pagina 11

Mirjam Oosterman (1977) promoveerde in 2007 aan de VU met het proefschrift ‘Attachment to foster parents’.


Tags: , ,