Naar de puberteit toe werken

Puberteit en pleegzorg staan bekend als een lastige mix. Pubers gaan op zoek naar hun eigen identiteit en tijdens die zoektocht zitten pleegkinderen in een situatie die ingewikkelder is dan die van eigen kinderen. Wat heeft een kind nodig in de puberteit? Hoe kun je een kind helpen om zijn eigen identiteit op te bouwen? Deze vragen legden we voor aan Anna Bakker en Sjaak Leisen, beiden werkzaam bij de GGZ. Zij begeleiden kinderen van verschillende leeftijden, waaronder pubers. Al voordat de puberteit begint, werken zij toe naar deze fase.

Wat heeft een kind nodig in de puberteit?

Sjaak: “Ik maak kinderen mee van alle leeftijden. Telkens kijk ik naar ‘wat is de beleving van dit kind?’ Daar spelen allerlei factoren in mee, zoals het karakter en het temperament van een kind. Heel lang blijven pleegkinderen denken: ‘Ik ga wel weer thuis wonen.’ Dat zij niet meer thuis wonen, zoeken ze bij zichzelf (‘misschien heb ik wat fout gedaan en krijg ik straf’). Ze hebben geen zicht op de ouderfactoren. Ergens zo in groep 7/8 leren ze zelf te kijken. Je ziet ze dan hun pleegouders uittesten en ze gaan vragen stellen om er achter te komen waarom ze niet meer bij hun ouders wonen. Dat is het moment waarop je dat stuk moet gaan begeleiden. Ook daarvoor, als ze in lagere groepen van de basisschool zitten, kun je werken aan die vaardigheden. Dan moet je het kind al vertellen waarom het uit huis is geplaatst.”

Anna: “Een kind moet weten bij wie het mag horen. Je moet aan de slag om het verhaal te vertellen. Bij een kind van vier maak je een kleiner verhaal, met minder uitleg. Op latere leeftijd ga je dat nog eens herhalen. De basisschoolleeftijd is een relatief rustige leeftijd, die rust kun je daarvoor gebruiken. Ik ga er van uit dat in de puberteit de kleuter- en peutertijd nog eens heftig terugkomt. Alles wordt nog een keertje onderzocht. Maar hoe kun je autonoom worden als je niet weet tegen wie je je af moet zetten?”

Sjaak: “Kijk, als hulpverlener zet je bij een uithuisplaatsing een trauma in. Dat moet je wel beseffen. Je haalt bloedverbindingen uit elkaar. Voor mensen is het belangrijk om te weten: ‘Wie zijn mijn ouders, waar kom ik vandaan?’ Programma’s als ‘Spoorloos’ zijn er niet voor niets. Vanaf een jaar of twaalf snappen kinderen meer. Ze hoeven alles ook niet in één keer te weten. Je moet het herhalen, iedere groeifase weer.”

Anna: “Zelfs als volwassene ben je daar nog mee bezig. Neem de geboorte van een kind. Wie worden er dan opa en oma? Bij alle belangrijke gebeurtenissen denk je weer eens over je eigen leven na.”

Sjaak: “Of stel dat het kind verkering krijgt, welk verhaal vertelt het dan? Wat vertel je wel en wat niet? Waar schaam je je voor en wat durf je met rechte rug te vertellen?”

Anna: “Vóór de uithuisplaatsing zit soms al een trauma. Sommige kinderen zijn ontzettend boos over het feit dat ze niet goed zijn verzorgd. Tegelijkertijd hebben kinderen ook veerkracht. Ze komen wel weer in rustiger vaarwater en die momenten moet je gebruiken om terug te kijken.”

Hoe kun je hier mee aan de slag?

Sjaak: “Als pleegouder moet je je afvragen: ken ik het verhaal van mijn pleegkind? Kan ik het vertellen? Je hoeft geen narigheid te vertellen, maar wel een reëel verhaal en als kind moet je dat verhaal horen. Misschien is het een rotverhaal, maar dan weet je het. Een kind wordt bij andere opvoeders geplaatst door een juridische instantie, door Bureau Jeugdzorg. Het is inderdaad belangrijk om de wettelijke zaken goed geregeld te hebben, maar je moet voor het kind ook zijn verhaal kunnen maken. Eigenlijk zou de bezorger van het pakketje ook het verhaal er achter erbij moeten leveren. En dat is moeilijk voor, helaas vaak wisselende, voogden. “

Anna: “Een pleegouder moet zich ook gesteund voelen om dat verhaal te kunnen vertellen. Als pleegouders het kunnen, dan is dat heel goed. Echter, als er problemen liggen in de relatie met de biologische ouders, dan zijn pleegouders niet vrij. Het kind zit daar dan tussen. Waar moet het heen met zijn vragen?”

Sjaak: “Pleegouders hebben soms ook hun eigen verwachtingen en wensen bij een plaatsing. Daar loop je ook mee rond. Allemaal factoren die het ingewikkeld maken. Hoe neutraler je er in staat, hoe vrijer je je kunt bewegen. Daarnaast zijn vaste mensen in een mensenleven heel belangrijk. Zelf begeleid ik al tien jaar een jongen en we hebben in die tijd ook wel ruzie gemaakt. Hij is nu bijna achttien. Als ik met hem praat, gaat dat over nu, maar ook over dat jochie van acht.”

Heeft een kind langere tijd dezelfde mensen nodig?

Sjaak: “Wisselen van begeleiders is doodzonde. Alle punten die je ooit met elkaar hebt besproken zijn een verhaal en juist dat verhaal heb je nodig. Het is een vorm van veiligheid dat er in je puberteit een rots is, iemand die jou kent.”

Anna: “De overheid wil juist dat we tempo maken. Opschieten en afsluiten. Continuïteit wordt ondergewaardeerd. Natuurlijk moet je stoppen als het niet meer nodig is, maar de map van een kind moet op een speciale plank komen te staan, zodat dezelfde hulpverlener hem kan pakken als dat weer nodig is. Niet alles proberen over te dragen via idiote formulieren. Waar is het verhaal dan?”

Sjaak: “Als hulpverlener hebben we een beroep, maar je bent ook een soort oom of tante die het kind vanaf de zijlijn een beetje in de gaten houdt. Ook als het goed gaat.”


Tags: , ,