Koersen op verbinding

Auteurs: Marcia Lever en Marjan Boertjes  

In de beleidsvisie Kind in de Pleegzorg (1) worden aanbevelingen gedaan om pleegzorg te verbeteren. Gepleit wordt onder meer voor versteviging van de rechtspositie van kinderen in de pleegzorg (en daarmee hun pleegouders): er moet snel beslist worden over een permanente situatie, zodat het kind zich kan hechten aan zijn pleeg­ouders. De MO Groep heeft in een reactie gesteld dat hiermee te weinig recht gedaan wordt aan de positie van ouders: het kind moet ook loyaal kunnen blijven aan zijn biologische ouders. (2) Hoe ziet deze discussie eruit wanneer het gaat over kinderen met een verstandelijke beperking of kinderen van ouders met een verstandelijke beperking?

Elk mens wil zich verbonden voelen met de mensen om zich heen. Hechting definiëren we als een duurzame emotionele band tussen kind en opvoeder. Als er sprake is van een gehechtheidsband tussen het kind en de opvoeder zal het kind bij stress veiligheid en comfort zoeken bij de opvoeder. Bij kinderen met een verstandelijke beperking is de behoefte aan verbondenheid niet anders. Ook deze kinderen zoeken houvast en veiligheid bij hun (pleeg)ouders. De beperking beïnvloedt echter wel in belangrijke mate het tot stand komen van hechting. Er zijn drie problematische aspecten te onderscheiden:

Sensitiviteit
Het is ingewikkelder om tot positieve interacties te komen. Soms geeft een kind met een beperking minder signalen af of zijn de signalen moeilijk leesbaar. Het is voor (pleeg) ouders ingewikkeld om het kind goed te begrijpen en daarom vaak lastig om adequaat en sensitief op het kind te reageren. Een kind met een verstandelijke beperking laat vaak ongewoon gedrag zien. Ook hierdoor kan de sensitiviteit van de opvoeders onder druk komen te staan.


Verwerking
De opvoeders van een kind met een beperking moeten het feit accep­teren dat het kind een handicap heeft. Wanneer de opvoeders de handicap van het kind niet goed kunnen (h)erkennen en verwerken, staat dat het ontstaan van een veilige hechtingsrelatie in de weg.


Vertraging
Een baby legt van nature contact met de mensen in zijn directe omgeving. Om van gehechtheid vanuit het kind te kunnen spreken, moet het kind de cognitieve ontwikkelingsleeftijd van 10 -12 maanden bereikt hebben. Wanneer de verstandelijke ontwikkeling vertraagd is, heeft dit invloed op de hechting.
Ook als de ouders zélf een verstandelijke beperking hebben, kan de hechting moeizamer tot stand komen. De ouders reageren niet adequaat op de signalen van hun kind. Soms zijn zij minder sensitief. Ouders moeten zich kunnen aanpassen aan de individuele behoeften en eigenschappen van hun kind. Voor veel ouders met een verstandelijke beperking is dit moeilijk.

Deze factoren zorgen ervoor dat bij het verstandelijk beperkte kind en/of het kind van een verstandelijk beperkte ouder de hechting minder vanzelfsprekend tot stand komt. Dit komt bovenop het toch al verhoogde risico op hechtingsproblemen van pleegkinderen in het algemeen, die veroorzaakt worden door ondermeer verwaarlozing en discontinuïteit in de zorg en de opvoeding.

Loyaliteit onder spanning

Tussen een kind en zijn ouders bestaat van nature een loyaliteitsband. Dit is bij kinderen met een verstandelijke beperking of kinderen van ouders met een verstandelijke beperking niet anders. Net als bij ‘gewone’ kinderen ontwikkelt zich tussen pleegouders en pleegkinderen met een beperking na verloop van tijd meestal een loyaliteitsband.
Toch brengt de beperking van kind en/of ouders ook hier extra moeilijkheden met zich mee. Soms wordt de loyaliteit niet goed herkend doordat het gedragsrepertoire en het taalgebruik van mensen met een verstandelijke beperking anders is en uitingen van affectie vaak heel concreet en primair kunnen zijn.
Een verstandelijke beperking gaat vaak samen met gedragsproblemen en psychiatrische stoornissen, wat de loyaliteit onder spanning kan zetten. De loyaliteitsband is dus kwetsbaar. Soms zien we juist een extra stevige loyaliteitsband. Bijvoorbeeld als het kind een zorgenkindje is voor de ouders en veel aandacht en zorg vraagt of als, omgekeerd, het kind teveel voor de verstandelijk beperkte ouder heeft moeten zorgen. Loslaten kan dan erg moeilijk zijn.

Wederzijdse acceptatie moeilijk, maar noodzakelijk

Bij elke pleeggezinplaatsing ontstaat een driehoeksverhouding tussen het kind, de ouders en de pleegouders. De loyaliteitsband tussen ouders en kind blijft bestaan. Daarnaast verwerft het kind een loyaliteitsband met de pleegouders. Zoals hierboven geschetst, verloopt de hechting indien er sprake is van een beperking niet altijd zonder problemen en is de loyaliteit niet altijd herkenbaar.

Het kind moet openlijk loyaal kunnen zijn aan alle ouderfiguren. Wederzijdse acceptatie van ouders en pleegouders is hierbij van wezenlijk belang. Voor ouders met een verstandelijke beperking is het extra moeilijk te begrijpen waarom niet zij, maar anderen hun kind opvoeden, terwijl acceptatie van de pleeggezinplaatsing door de ouders een voorwaarde is voor het welslagen hiervan. Anderzijds moeten ook de pleegouders de ouders met hun verstandelijke beperking en het daarbij behorende ‘andere’ gedrag accepteren en hen hun unieke rol als ouder gunnen.

Hechting én loyaliteit beiden van groot belang

Als er sprake is van een beperking van kind en/of ouders, is de pleegzorg meestal levenslang en levensbreed. Voor het slagen van de plaatsing, moet het (verstandelijk beperkte) kind loyaal kunnen worden aan de pleegouders en loyaal kunnen blijven aan zijn (verstandelijk beperkte) ouders. Kind, ouders en pleegouders hebben hierbij ondersteuning nodig. Het kind en de pleegouders moeten hulp krijgen om de hechtingsmogelijkheden van het kind maximaal te benutten. Zo nodig moeten zowel de ouders, de pleegouders en het kind zelf begeleid worden bij het accepteren van de beperking van het kind en/of van de ouders. De ouders van het verstandelijk beperkte kind hebben vaak extra steun nodig om hun zorgen­kindje toe te staan in het pleeggezin op te groeien. Omgekeerd moet ook het kind van verstandelijk beperkte ouders begeleid worden bij het los­laten. Alle ondersteuning moet voortdurend gericht zijn op het verkrijgen van balans in de driehoek kind – ouder – pleegouder. Steeds moet de focus daarbij zijn: wat is goed voor het kind en hoe kan iedereen z’n steentje daaraan bijdragen. Niemand is gebaat bij een richtingenstrijd hechting versus loyaliteit. •

Drs. Marjan Boertjes en Marcia Lever zijn respectievelijk als directeur en staffunctionaris werkzaam bij het expertisecentrum van de William Schrikker Groep.

(1)  ‘Kind in de Pleegzorg, naar een eenduidige kindgerichte hulpverlening’, P.M. van den Bergh & A.M. Weterings Universiteit Leiden, 2006
(2)  Bron: persbericht 16 oktober 2006


Tags: ,