Errol woonde in 5 verschillende gezinnen

Auteur: Nynke Stoker  

Errol is 19 jaar. Hij woonde soms bij zijn moeder, maar hij is vooral opgegroeid in verschillende tehuizen en (pleeg)gezinnen. Hij kijkt terug en noemt de goede en minder goede dingen.

Ik ben Errol. Ik ben een jongen van 19 jaar. Ik woonde met mijn oudere broer en mijn jongere zusje bij mijn moeder. Als gevolg van mijn moeders (psychiatrisch) ziektebeeld ging het binnen ons gezin niet goed. Al jaren werden wij als gezin ondersteund vanuit ons sociale netwerk en via de kerk, de pinkstergemeente. Na verloop van tijd was dit niet meer voldoende en viel ons gezin uit elkaar.

Vijf verschillende gezinnen

Eigenlijk begon het al toen ik anderhalf was. Toen heb ik tot mijn derde in een kindertehuis gezeten samen met mijn broer. Daarna heb ik weer een paar jaar thuis gewoond, toen een paar jaar bij mijn opa en oma, dat vond ik echt niet leuk. Zo ging het eigenlijk mijn hele jeugd. Thuis wonen en dan weer ergens anders. Vanaf ongeveer mijn 15e werd ik ‘echt’ pleegkind. Dat ben ik tot mijn 18e gebleven. Ik kon niet thuis wonen omdat mijn moeder een psychische aandoening heeft. Borderline? Ik weet het niet zeker. Hierdoor is zij niet in staat geweest om voor ons te zorgen. Mijn moeder kreeg vaak een psychose en moest dan worden opgenomen in een inrichting. Ik moest dan telkens naar een gezin of tehuis. Ik heb in wel vijf gezinnen gewoond, waarvan twee pleeggezinnen. Verder twee tehuizen: een internaat en een kindertehuis.

Verleden laten rusten

Ik heb altijd wel contact gehad met mijn moeder. Ook al had ik daar niet altijd behoefte aan. Sinds kort heb ik het contact een beetje stil gelegd, omdat ik door het contact met haar soms gehinderd word in mijn ontwikkeling. Ik maak me dan zorgen om haar. Met de mensen bij wie ik gewoond heb, heb ik ook geen contact meer. Ik vind dat je het verleden moet laten rusten. Ik vind het goed zo.

Ik heb het in elk pleeggezin wel leuk gehad en ik heb in beide pleeggezinnen ook minder leuke dingen meegemaakt. Je leert natuurlijk andere dingen dan thuis, want iedereen heeft zijn eigen normen en waarden. Het was soms wel heel leuk om dat in je op te nemen, maar soms ook helemaal niet, omdat ik dan niets van ‘hun’ regels snapte of ze gewoon niet bij mij pasten. Daardoor kon het erg botsen tussen het pleeggezin en mij. De laatste plek waar ik heb gewoond was bij een pleegmoeder die altijd heel bezorgd om mij was.

Eigen huisje

Bij die laatste pleegmoeder vond ik het altijd erg gezellig. Mijn oudere broer woonde ook bij haar en dat was heel fijn. Mijn pleegmoeder had een groot huis en er was veel ruimte. Ik ben in mijn oude vertrouwde buurt gebleven en daardoor kon ik mijn vrienden altijd zien wanneer ik wilde. Mijn pleegmoeder is ook een aardige, zachte en bezorgde vrouw. Ik heb geen contact meer met haar. Het hoeft van mij niet, maar van haar ook even niet. Dan ga ik er ook geen energie in steken. Ik laat het verleden rusten en wil aan mijn toekomst bouwen. Ik denk dat het vooral te maken heeft met de periode dat ik alles zelf wilde doen. Ik werd 18 en ik had al twee jaar een vriendin. Ik was vaak bij mijn vriendin omdat zij op zichzelf woonde. Ik wou ook heel graag een eigen huisje en had het hier vaak over. In deze periode is de band tussen mij en mijn pleegmoeder wat minder geworden. Zodra ik mijn eigen huisje had gevonden, was ik dolblij en ging ik gelijk aan de slag.

Mijn pleegmoeder vond dat het allemaal wel heel snel ging. Het voelde voor haar alsof ik haar in de steek liet en haar niet meer nodig had. Hier was zij verdrietig en boos over. Ik vond het jammer dat zij niet blij voor mij was dat ik dit allemaal had bereikt. Zo is het gekomen dat we nu geen contact meer met elkaar hebben.

Boos

Ik ben vaak boos geweest op het feit dat ik pleegkind was. Ik was gewoon boos op het feit dat ik geen ‘normaal’ leven had. Op school en bij vrienden heb ik er nooit problemen mee gehad. De leraren hielden er wel rekening mee dat mijn thuissituatie anders was. Ik denk dat ik heel anders in het leven sta dan anderen. Ik vind mezelf zelfstandiger en ik heb meer meegemaakt dan kinderen in een normaal gezin. Ik heb ook veel dingen niet meegemaakt, daardoor vind ik mijzelf soms wat zwakker. Zwakker in die zin dat ik niet in een ‘gewoon’ gezin ben opgegroeid en niet weet hoe dat is en ook niet terug kan vallen op ouders of familieleden voor steun.

Samenwonen

Ik woon nu bijna twee jaar samen en we hebben twee katten. Ik vind dit het leukste wat er is. Hier heb ik alles voor gedaan. Mijn huis is mijn veilige plekje. Het is echt een fijn gevoel een eigen huisje te hebben. Ik heb op diverse plekken gewoond. Van alle plekken waar ik kom, probeer ik mee te nemen waar ik het meest van leer en waarvan ik vind dat ik er een beter mens van word.


Tags: ,