Een crisispleeggezin

Yvonne Clare is pleegmoeder en biedt plaats aan twee crisispleegkinderen, maar dat is een ruim begrip. Eén van de kinderen doet het zo goed bij haar dat hij is gebleven in plaats van  doorgeplaatst naar de Hoenderloogroep. Met het andere kind wordt gewerkt aan een geleidelijke terugkeer naar huis. Dan zijn er ook nog de kinderen uit de familie.

Wat is de samenstelling van je gezin?

Op dit moment zijn er tien in huis. Manuela (23), Henkie (19), Iraida (18), Richio (15), Deleaney (14), Miquel (13), Gena (13), Mike (14), Jeje (2) en ikzelf. Jeje heet overigens niet zo, zo noemt hij zichzelf. Het zijn mijn eigen kinderen, kinderen uit de familie en andermans kinderen.

Hoe kwam je er toe om pleegmoeder te worden?

Ik doe dit al vanaf mijn jeugd eigenlijk. Mijn opa had een internaat in Suriname en mijn moeder ving ook allerlei kinderen op. Ik heb hier altijd bij geholpen. In zekere zin heb ik toen Iraida’s moeder opgevoed. In 1977 ben ik naar Nederland gekomen. Hier heb ik ook altijd kinderen opgevangen. Eerst familie, later ook andermans kinderen. De deur staat eigenlijk altijd open. Als ik hoor dat er iemand hulp nodig heeft, slaapt hij desnoods op de bank. Financieel hebben we het niet ruim, maar er kan altijd wel een bordje extra vanaf.

Hoe ziet de begeleiding eruit en voorziet die in de behoefte?

Ik heb een vaste begeleider. Dat is prettig, dan hoef je niet telkens opnieuw het hele verhaal uit te leggen. Ik regel ook veel zelf. Niet ieder kind vang ik op via pleegzorg, daar wil ik de hulpverlening dan ook niet mee lastigvallen.

Waar heb je steun bij nodig, waar ben je onzeker over?

Als het verkeerd gaat met een kind, is het prettig om samen te kijken en af te stemmen wat we er aan gaan doen. Ook als er met instanties gewerkt moet worden, als het gaat om papieren en vergoedingen, ga je van het kastje naar de muur en is hulp welkom.

Hoe ziet het contact met de ouders en de familieleden er uit?

Ik vind een goed contact heel belangrijk. De kinderen leer ik ook om respect te hebben voor hun ouders. Als je geen contact meer hebt met je vader is dat geen reden om school maar te laten gaan. Je moet juist je best doen, zodat je later kunt zeggen: ‘Jij was er niet voor mij, maar kijk: Je kunt trots op mij zijn.’

Behalve dat je een kind helpt, kun je soms ook de ouders helpen. Mike komt uit een gezin met vier kinderen. Zijn moeder loopt tegen dezelfde problemen aan als ik. We bespreken samen hoe we daarmee omgaan. Zo hebben we het bijvoorbeeld gehad over broodbeleg. Ik haal een keer in de week vleeswaren. Ze moeten onderling regelen dat ze er mee uitkomen. Eet eentje het allemaal op, dan wil ik dat ze elkaar daar op aanspreken. Anders leren ze niet om zelf hun probleem op te lossen en ren ik de benen uit mijn lijf. Ik kijk wel mee. Als ik zie dat een van de jongens zich telkens niet aan de afspraken houdt, ga ik op een rustig moment met hem in gesprek. Dan kijken we samen wat er aan de hand is en hoe we dat gaan oplossen.

Welke praktische problemen kom je tegen?

Ik ben vaak onderweg. Voor schoolgesprekken of om zaken te regelen bij instanties. Nederland is een papierenland, daar gaat heel veel tijd in zitten. Mike gaat regelmatig een paar dagen naar huis. Zijn praktische zaken blijven bij zijn moeder. Dat is ook goed, voor als hij straks weer thuis gaat wonen.

Zijn er momenten waarop je denkt: hier had ik nooit aan moeten beginnen?

Nee, nooit eigenlijk.

Beschrijf een ervaring die illustreert: Daar doe ik het voor

Mike is geen liefhebber van rijst. Hij regelt zijn eigen eten. Eerst hebben we samen in de keuken gestaan, samen aardappels klaargemaakt. Nu kan hij het prima zelf. Dat is leuk, daar heeft hij ook in zijn verdere leven nog wat aan.


Tags: ,