Voorkomen en snel reageren dankzij RAAK

Auteur: Antoinette van Wijngaarden  

Rowena, Savanna, Metehan: de meest dramatische gevallen van kindermishandeling halen met ijzingwekkende regelmaat het nieuws. Stichting RAAK, de Reflectie- en Actiegroep Aanpak Kindermishandeling, probeert al jaren de maatschappelijke en politieke discussie over en de aanpak van kindermishandeling te stimuleren (1).
Op 25 april jl. presenteerden twee Nederlandse universiteiten hun onderzoeksrapporten over de omvang van kindermishandeling in Nederland (2). De conclusie van beide onderzoeken is schokkend: in ons ‘beschaafde’ land met een uitgebreide zorgstructuur en een omvangrijk stelsel van kinderbescherming zijn jaarlijks meer dan 100.000 kinderen het slachtoffer van kindermishandeling. De rapporten leidden tot een spoeddebat in de Tweede Kamer. Tijdens dit debat nam de kamer het voorstel aan om in het hele land zogenaamde Regio’s RAAK in te voeren.

Vanaf 2003 is in samenwerking met RAAK in vier proefregio’s een methode van aanpak ontwikkeld (3). De doelen: het voorkomen van kindermishandeling, het zo snel mogelijk signaleren en het zo effectief mogelijk reageren op gemelde gevallen. Om dit te realiseren is een gecoördineerde en doelgerichte aanpak nodig. Volgens RAAK is een effectieve aanpak mogelijk als bestaande voorzieningen die met kinderen en hun ouders werken – onderwijs, jeugdgezondheidszorg, welzijnswerk, peuterspeelzaalwerk, kinderopvang, jeugdzorg, kinderbescherming, ziekenhuizen, sport­verenigingen, enzovoorts – anders gaan werken en vooral beter gaan samenwerken.

Doorlopende zorg

In de Regio’s RAAK wordt een zogenaamd ‘zorgcontinuüm kindermishandeling’ gerealiseerd. Dit zorgcontinuüm bestaat uit vijf punten. Bij ieder punt neemt de doelgerichtheid van de zorg toe:
• 1.  Universele preventie. Gericht op álle ouders, andere opvoeders en kinderen. Algemene voorlichting over opgroeien en opvoeding, maar ook groepsbijeenkomsten voor aanstaande ouders en pedagogische spreekuren. Deskundigheidsbevordering en opvoedingsondersteuning bij beroepskrachten.
• 2.  Selectieve preventie. Gericht op groepen met verhoogd risico op kindermishandeling. Bijvoorbeeld in bepaalde wijken, maar ook een groep als alleenstaande tienermoeders. Deze risicogroepenbenadering houdt vaak voorlichting en/of training op individueel of groepsniveau in.
• 3.  Geïndiceerde preventie. Gericht op individuele ouders en/of kinderen die een verhoogd risico lopen op kindermishandeling. Individuele begeleiding moet het risico terugdringen.
• 4.  Vroege interventie bij individuele gezinnen bij tekenen van ontsporing van de opvoedingssituatie. Individuele hulp en begeleiding zijn noodzakelijk.
• 5.  Hulpverlening en/of bescherming bij vermoedens of constatering van feitelijke kindermishandeling. Op dit laatste punt van het continuüm is het doel de mishandeling zo snel mogelijk te stoppen door in te grijpen en/of door hulp te bieden. Interventies als hulpverlening, maar ook strafrechtelijke, civielrechtelijke (jeugd­beschermings)maatregelen of combinaties van deze drie.

Om het zorgcontinuüm te realiseren is een actieplan met 35 punten opgesteld. Elke proefregio koos zijn eigen speerpunten. Belangrijke resultaten zijn onder andere geboekt op het terrein van deskundigheidsbevordering in het signaleren van kindermishandeling, het gebruik van meldcodes en bij het bereiken van tot dan moeilijk bereikbare doelgroepen.

“Dat komt bij ons niet voor”

Onwetendheid, onervarenheid en voorzichtigheid beletten dat mensen, ook professionals, adequaat handelen bij (een vermoeden van) kindermishandeling. De eerste en meest voorkomende interventie bij eerste signalen van problemen is het opvoedingsondersteunende gesprek. Dit vindt – vaak op initiatief van de ouders! – plaats tijdens een bezoek aan de huisarts of met een medewerker in de jeugdgezondheidszorg, peuterwerk, kinderopvang of onderwijs. In de proefregio’s RAAK zijn honderden professionals getraind in het signaleren van en reageren op de eerste tekenen van mogelijke kindermishandeling. Jessica Vriens, leidinggevende bij een kinderdagverblijf was een van hen: “Dat komt bij ons toch niet voor… Dat was onze eerste reactie, maar door de voorlichtingsdag besefte ik dat kindermishandeling wel móet voorkomen, ook bij ons. Natuurlijk gaat het niet altijd om blauwe plekken en gebroken botten. Soms is het veel subtieler. Wij hadden een kind dat altijd nog een nachtluier aan had als het gebracht werd. Lastig, we wisten niet goed hoe daar mee om te gaan. Bovendien vindt de een zo’n nachtluier niets om je druk over te maken, terwijl een ander het verwaarlozing noemt. We hebben nu een protocol op basis van de meldcode en werken samen met het consultatiebureau. We weten nu hoe te handelen bij een niet-pluisgevoel.”

Pleegouders trainen

Medewerkers in de pleegzorg worden regelmatig geconfronteerd met mishandeling, door ouders of pleegouders. Zijn zij betrokken bij de deskundigheidsbevordering binnen de proefregio’s? Myra ter Meulen, samen met prof.dr. Jo Hermanns landelijk procescoördinator Regio’s RAAK, benadrukt het belang van deskundigheidsbevordering van íedereen die met kinderen werkt. “Er is uit pragmatische overwegingen gekozen om te beginnen met de scholing van werkers in de eerstelijnszorg. Mijn ervaring is dat kinderen in pleeggezinnen extra kwetsbaar zijn om (opnieuw) slachtoffer te worden van kindermishandeling.
Mishandelde kinderen kunnen uitlokkend gedrag vertonen. Pleegouders zijn niet ingesteld op kinderen die hen over de grens van hun opvoedingsmethoden laten gaan. Zij en hun pleegzorgwerkers moeten leren daar mee om te gaan. Dit is zeker een aandachtspunt voor de nieuwe regio’s RAAK.”

Zorgwekkende zorgmijders

In bovengenoemd geval was er contact tussen ouders, kind en instelling. Wat als een gezin niet in beeld is? RAAK stelt dat jeugdgezondheidszorg en peuterspeelzalen outreachend (4) moeten werken. Zorgmijding als zodanig is al een signaal van mogelijke of toekomstigen problemen in een gezin.

Een voorbeeld geeft Lizet Rigter, jeugdverpleegkundige bij de GGD in Almere:
“Alle ouders van kinderen uit groep 2 van de basisschool krijgen standaard een uitnodiging voor een preventief gezondheidsonderzoek van de GGD. De meeste ouders werken mee, sommigen bellen af, anderen laten niets van zich horen. Het vermoeden bestaat dat juist in deze laatste groep mensen zitten die binnen de risicogroep vallen. Ik kon door het RAAK-project uitzoeken hoe we ook met deze ouders in contact konden komen.” Rigter stelde het protocol ‘Niet Verschenen Zonder Bericht’ op. Dat protocol beschrijft contactmomenten met ouders en leerkrachten. Op basis van die informatie en het dossier van het Consultatiebureau wordt bekeken of er aanleiding tot zorg is, of dat de afspraak gewoon vergeten is. Met dit protocol kunnen we duidelijk krijgen wanneer er reden is om over te stappen op bemoeizorg.”

De landelijke invoering van de RAAK-methode is de verantwoordelijkheid van het programmaministerie voor Jeugd en Gezin. Minister Rouvoet heeft de uitvoering uitbesteed aan het Nederlands Jeugdinstituut (NJi). Gemeenten kunnen zich bij het NJi melden met hun plannen. Voor de uitvoering daarvan heeft de overheid jaarlijks 4 miljoen euro beschikbaar gesteld. In 2011 moet de operatie rond zijn. “Maar,” waarschuwt ter Meulen, “er komen steeds weer nieuwe (pleeg)ouders en professionals bij. Blijvende voorlichting en scholing zijn van wezenlijk belang.” •

(1)  Voor dit artikel is gebruikt gemaakt van de informatie op www.stopkindermishandeling.nl.

(2) ‘Scholieren over mishandeling’, Vrije Universiteit Amsterdam en PI Research, januari 2007.    ‑‘Kindermishandeling in Nederland anno 2005’, Universiteit Leiden, 2007.

(3)  De proefregio’s RAAK waren Flevoland, Amsterdam-Noord, de westelijke Mijnstreek (in Limburg) en Zaanstreek-Waterland. Zie ook: Mobiel, nr 1, 2007.

(4)  Actief naar buiten treden om klanten te bereiken.


Tags: , ,