(Pleeg)kinderen en omgangsrecht

Iedereen die met een kind in een zodanige betrekking staat of heeft gestaan dat er spake is van ‘family-life’ (artikel 8 EVRM), heeft recht op regelmatige omgang of contact met het kind. Het maakt daarbij niet uit of die band is gebaseerd op biologisch en/of juridisch ouderschap of op een andere relatie, bijvoorbeeld pleegouder- of grootouderschap. Er moet sprake zijn (geweest) van een feitelijk gezinsleven. Om de omgang stop te zetten, moet er sprake zijn van zogenaamde ‘ontzeggingsgronden’.

Stopzetten omgang ouder-kind

De rechter kan besluiten om af te zien van een omgangsregeling van het kind met de ouder waar het kind niet woont of die omgang stopzetten. Deze ouder kan de ouder zonder gezag zijn of de ouder die gezamenlijk met de andere ouder het gezag uitoefent na echtscheiding. De rechter doet dit op de volgende gronden:
• de omgang is ernstig nadelig voor de ontwikkeling van het kind
•de ouder wordt kennelijk ongeschikt of niet in staat geacht om omgang te hebben met het kind
•het kind heeft ernstige bezwaren tegen de omgang (ouder dan twaalf jaar of, indien jonger, een kind dat in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen)
•andere zwaarwegende belangen van het kind

In de woorden ‘ernstig’, ‘kennelijk’ en ‘zwaarwegend’ klinkt door dat zoveel mogelijk geprobeerd moet worden, waar dat verantwoord is, een omgangsregeling met de (andere) ouder vast te stellen.

Stopzetten omgang kind-anderen (dan de ouder)

De rechter kan besluiten om af te zien van een omgangsregeling van het kind met een ander dan de ouder of die omgang stopzetten indien:
•het belang van het kind zich verzet tegen de toewijzing van een omgangsregeling
•het kind dat twaalf jaar of ouder is bezwaar maakt

Deze ‘ontzegginggronden’ zijn minder zwaar dan de gronden die gelden bij de ouder.

Omgang en uithuisplaatsing

Indien het kind uithuisgeplaatst is met een machtiging tot uithuis­plaatsing betekent dit dat de omgang tussen het kind en de ouder per definitie is beperkt. Het kind woont immers niet meer thuis. Bureau Jeugdzorg stelt een omgangsregeling vast.

Mening van het kind

De mening van het kind telt ook mee. In bepaalde gevallen is het zelfs reden om geen omgang te laten plaatsvinden of deze stop te zetten. Een kind wordt door de rechter in ieder geval in staat gesteld zijn mening te geven als hij twaalf jaar of ouder is en in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen (1).

Een rechter kan jongere kinderen ook horen, maar is hiertoe niet verplicht. Een kind kan zelf met een eenvoudig briefje aan de rechter vragen om een omgangsregeling met zijn ouder(s) of anderen (bijvoorbeeld broertje of zusje) of om de omgangsregeling stop te zetten of te beperken.

Bezwaren van een kind kunnen leiden tot ontzegging van het omgangsrecht. Het moet dan wel gaan om ernstige bezwaren van minderjarigen van twaalf jaar en ouder. Ernstige bezwaren van minderjarigen jonger dan twaalf kunnen in sommige gevallen wel leiden tot ontzegging van de omgang, als de rechter oordeelt dat er sprake is van een zwaarwegend belang van het kind. •

(1) Zie over het hoorrecht Mobiel 4, augustus/september 2004

Mariska Kramer is advocaat bij Leger des Heils Jeugdzorg en Reclassering en advocaat bij Dorhout-advocaten te Soest.


Tags: ,