“Kinderen hebben ouders nodig, ouders hebben kinderen nodig.”

Professor dr. Herman Baartman was tot 2005 bijzonder hoogleraar ‘Preventie en hulpverlening inzake kindermishandeling’ en directeur van het Amsterdams Centrum voor Kinderstudies aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Baartman heeft veel gepubliceerd, onder meer over ouderschap en ouderbegeleiding. Bovendien is hij pleegouder, iets wat dit interview over ouderschap een extra dimensie geeft.

Baartman: “Kinderen hebben ouders nodig, omgekeerd hebben ouders kinderen nodig. Het grootbrengen van een kind is iets dat tegemoet kan komen aan uiteenlopende fundamentele behoeften. Zoals bijvoorbeeld de behoefte om affectie te tonen, om voor iemand van betekenis te zijn en er maatschappelijk bij te horen. Soms is het een mogelijkheid om van een bestaan dat tot dan toe weinig te bieden had, nog iets te maken. Zo doe je voor je kind wat je ouders voor jou hadden moeten doen. Positief hierbij is dat ouders op die manier boven zichzelf uit kunnen groeien. Er is echter ook het risico dat een kind verlangens moet vervullen die bij de ouder onvervuld zijn gebleven. De kans is groot dat een kind daar niet aan kan voldoen.

Een kind moet de ruimte krijgen te worden wie het is en een ouder moet leren zijn behoeften af te stemmen op de mogelijkheden van het kind. Hij moet om kunnen gaan met de spanning tussen het nodig hebben van en het nodig zijn voor een kind. Deze spanning speelt mee bij een uithuisplaatsing of bij terugplaatsing.

Wezenlijke krenking

Voor elke ouder is het een opgave om evenwicht te vinden tussen ruimte voor zichzelf en de ruimte die een kind nodig heeft. Als mensen te weinig ruimte hebben gehad of ook nu hebben, is de kans groot dat zij die ruimte opeisen ten koste van hun kind. Vroeger was opvoeding helder: het kind afleveren als een goed aangepaste burger. Wat goed of slecht was, was duidelijk. Slaagde men niet in de opvoeding, dan namen anderen die taak over en verdwenen de ouders uit zicht. Sinds de jaren zestig wordt meer betekenis toegekend aan de ouder-kindrelatie. Uithuisplaatsing is daarom minder vanzelfsprekend en ideeën over gehechtheid (1) en loyaliteit (2) zijn ijkpunten in de jeugdzorg.

Het moeten loslaten van een kind, omdat men dit in het belang van het kind acht, kan een ouder diep raken. Het roept gevoelens op van gêne, schaamte, schuld en tekortschieten. De betekenis van een kind voor het bestaan van een ouder is niet te overschatten, ook voor een ouder die in zijn zorg ernstig te kort schiet. De op zich normale spanning tussen het nodig hebben van een kind en het nodig zijn voor een kind wordt op zulke momenten pijnlijk manifest. Natuurlijk varieert dat voor verschillende typen ouders – biologische -, pleeg-, stief- en adoptiefouders –, al naar gelang hun geschiedenis en ervaring met het kind.

Pleegouders kunnen altijd nog zeggen: ‘Ik heb hem niet zo gemaakt, ik kreeg hem al verkeerd.’ Als ouders een kind grootbrengen, ervaren ze dat als een opgave voor het leven. Omdat dit zo fundamenteel is, móet het goed gaan. Als er vervolgens gezegd wordt dat je ‘mislukt’ bent, besef je dat je je verantwoordelijkheid niet hebt waargemaakt. Dat is een wezenlijke krenking. Voor pleegouders kan het hard aankomen als de vraag gesteld wordt of ze nog wel langer nodig zijn. Pleegouders ondersteunen in het omgaan met die spanning, vergt een hoge mate van professionaliteit.

Wat is hechten?

De verhouding tussen een pleegouder en een pleegkind is anders dan die tussen een ouder en een eigen kind. Een pleegouder die een pleegkind in huis neemt om het kind weer op de rails te krijgen, is in die zin nodig voor het kind en in die zin heeft het kind de pleegouder nodig. Als dat gelukt is, komt de vraag: ‘hoe verder?’. Is het ook gelukt om de ouders op de rails te krijgen en kunnen deze met het kind verder? Voor een pleegouder hangen de gevoelens die loskomen bij het loslaten samen met het perspectief van de plaatsing. Als je bewust of onbewust met een kind begint om er voorgoed voor te zorgen en het een vaste plek te geven in je bestaan, dan is het een stuk moeilijker loslaten.

Soms zeggen pleegouders of deskundigen dat je op afstand blijft en je niet kunt hechten zolang het perspectief onduidelijk is. Daarvan gaan mijn stekels overeind staan. Mijn ervaring als pleegouder is dat je je gewoon hecht aan een baby, ook al weet je dat zijn verblijf tijdelijk is. Waarom zou je je niet hechten? Wat is dat hechten? Geven om, je inzetten voor, houden van, je betrokken weten en je verantwoordelijk weten? Of komt er nog iets bij van vasthouden, vastlijmen, dat is van mij? Als dat laatste het geval is en mensen er pas voor gaan als ze zeker weten dat ze het kind mogen houden, dan vind ik dat bedenkelijk.
Vanuit mijn ervaring is het echt mogelijk om goed te zijn voor een kind en er al het mogelijke voor te doen, ook al weet je dat het kind het jouwe niet is en niet bij je blijft. Dan heb je verdriet als het kind vertrekt. Dat verdriet is goed op te brengen als je beseft dat je hebt gedaan wat tijdelijk nodig was. Het gaat niet primair om een verschil in gehechtheid, maar om de plaats die je een kind in je leven geeft. Er is wel een verband tussen die twee natuurlijk, maar ik denk dat ze vaak verward worden.

Er ook zijn voor ouders

We zijn geneigd te redeneren vanuit de behoeften van een kind, waarin ouders moeten voorzien. We vergeten daarbij dat een ouder een volwassene is met een bijzondere positie en dat ouderschap een manier van leven is waarin iemand zich van zijn allerbeste, maar ook van zijn allerslechtste kanten kan laten zien. Ouders moeten responsief zijn, beschikbaar zijn, sensitief zijn, kortom moeten bol staan van de goede eigenschappen. Zo zit ouderschap natuurlijk helemaal niet in elkaar.

Ouders kennen ook andere gevoelens. Af en toe ben je het kind zat en vraag je je af waar je aan begonnen bent. Ouders kunnen het gevoel hebben, terecht of niet, dat een kind hen claimt en dat er voor een eigen bestaan geen ruimte meer is. Die spanning kan slechte dingen losmaken. Als je met ouders omgaat is het belangrijk om daar ook oog voor te hebben. We zijn te vaak alleen met behoeften en belangen van kinderen bezig en spreken ouders daar op aan. We moeten ons ook richten op de vraag wat ouders voor mensen zijn, wat hen beweegt, waar hun kwetsbaarheden liggen. Ook dat is in het belang van kinderen.” •

(1)  De Engelse psychiater John Bowlby (1907-1990) heeft veel geschreven over veilige en onveilige hechting. Belangrijkste publicatie: ‘Attachment and loss’, diverse delen; London Penguin.
(2)  Ivan Boszormenyi-Nagy (1920-2007) ontwikkelde de contextuele therapie met daarin o.a. veel aandacht voor loyaliteit tussen ouders en kinderen. Belangrijke werken: ‘Tussen geven en nemen’, en ‘Grondbeginselen van de contextuele benadering’, uitgeverij De Toorts, Haarlem.


Tags: , ,