Wisselende contacten in de pleegzorg

Als je gezin pleeggezin wordt, komt er niet alleen een kind binnen. Regelmatig komen er ook een pleegzorgwerker en een voogd over de vloer. Het komt nogal eens voor dat je als pleeggezin heel wat verschillende werkers of voogden leert kennen. Mobiel sprak met een pleegmoeder die in de loop der jaren veel wisselingen van begeleidingscontacten heeft gehad.

Ineke is veertien jaar pleegmoeder en in die tijd hebben er zeven pleegkinderen in haar gezin gewoond. Op dit moment wonen er nog twee kinderen langdurig en twee zijn er voor kortere tijd. In die veertien jaar hebben Ineke en haar man acht pleegzorgwerkers de revue zien passeren, waarvan een hen zeven jaar begeleidde. Verder hebben ze met zestien voogden te maken gehad.

Mensen leren kennen

“Aanvankelijk voelde ik me erg gesteund door de TGV-begeleider (1). Er was nooit een negatieve beoordeling, altijd een houding van ‘wat kan ik doen om jou en je gezin zoveel mogelijk tot steun te zijn’. Als er moeilijk­heden waren met individuele kinderen werd er gekeken wat de oplossing van het probleem kon zijn. Ook werd er gekeken wat er mis kon zijn met het kind; welke hulp het kind eventueel nodig had en of therapie zinvol kon zijn. Het invullen van de CBCL (2) was daarbij een aanvulling die hielp om het beeld helder te krijgen. Er was ook volop ruimte om even stoom af te blazen en te mopperen zonder dat het een nare lading kreeg en we konden rustig naar ons eigen functioneren kijken. We wisten wat we aan elkaar hadden en er vond regelmatig telefonisch overleg plaats over de lopende zaken.

Na zeven jaar vertrok onze begeleider. Daarna is de begeleiding instabiel geworden. Binnen korte tijd zijn er erg veel wisselingen geweest. De afstand tussen begeleiding en gezin werd hierdoor groter, de vertrouwelijkheid verdween en daarmee de ruimte om over moeilijke onderwerpen te praten. Er ontstond een houding die kinderen met veel wisselende verzorgers ook aannemen: ‘Waar bemoei je je mee en wat heb ik van jou te verwachten. Ik regel het zelf wel’.”

Steun en waardering

Ineke voelde zich veel minder gesteund en gewaardeerd. Er werd als vanzelfsprekend aangenomen dat ze het wel redde met deze kinderen en ze kreeg het gevoel dat ze vooral niet moest zeuren. Het leek alsof ze een nummer was voor de pleegzorgbegeleiders; een van de velen. De waardering kreeg ze in die tijd meer van voogden dan van pleegzorgwerkers. Die zeiden in elk geval dat ze goed werk deed en dat het kind nooit zo ver gekomen zou zijn, als zij daar niet al die tijd en energie in had gestopt. Ineke weet niet of het probleem bij de individuele werkers ligt of dat het komt door de organisatie waarvoor ze werken. De meeste begeleiders waren sympathieke mensen, maar leverden haar niet de steun, waar ze behoefte aan had.
Een van de werkers zei eens dat Ineke ondertussen zoveel ervaring had, dat ze het eigenlijk zelf wel kon.

Behoefte

Op de vraag aan wat voor soort begeleiding Ineke behoefte heeft,
antwoordt zij: “Dat is niet zo moeilijk. Gewoon mijn hart mogen luchten over moeilijkheden met het pleegkind zonder dat het consequenties heeft. Mijn eigen zwakheden kunnen bespreken. Iemand die goed bereikbaar is als je hem echt even nodig hebt. Iemand die met je meekijkt en je verzekert dat je nog steeds op de goede weg zit. De pleegzorgwerker zou ook mijn grenzen moeten helpen bewaken, zodat ik er niet overheen ga. Hij/zij zou tijdig moeten signaleren dat dit kind eigenlijk te moeilijk is om in een gezin/ons gezin op te groeien. Een pleegzorgwerker moet op tijd aangeven dat het zo niet langer gaat. Als pleegouder heb je toch de neiging om te lang door te gaan omdat je het kind ook niet achteruit wilt zetten. Je gaat voor het kind.”

Geen gelijkwaardige partners

“Vroeger was er over en weer een gesprek,” vertelt Ineke. “Je had een gelijkwaardiger positie. Nu heb je veel minder invloed op wat de hulpverleners voor ogen hebben. Ik voel me meer geknecht en krijg weinig ruimte om zelf mee te doen. Er wordt wel geluisterd, maar we zijn beslist geen ‘partners in de zorg’ meer, de slogan die heerste op het moment dat wij pleegouders werden.”

Bij de vraag of Ineke nog wel openstaat voor begeleiding geeft ze volmondig toe dat ze cynischer is geworden, maar dat ze beslist nog wel voor begeleiding open staat.
“Het is uiteindelijk een hele klus om andermans kinderen op te voeden en alle opgelopen trauma’s een plek te helpen geven, maar relaties moeten groeien. Ook met begeleiders.” •

(1)  Therapeutische Gezins Verpleging
(2)  Child Behaviour Check List, een gedragsvragenlijst


Tags: , ,