Stadsregio Amsterdam: effectiviteit in termen van autonomie

Auteur: Mirte Loeffen  

De Mobiele Brigade onderzoekt het pleegzorgbeleid van de verschillende provincies. Waar liggen de speerpunten, wat zijn de paradepaardjes en wat verdient meer aandacht maar wordt onder het tapijt geschoven? Mobiel zoekt het uit. Voor deze aflevering bezocht Mobiel de stadsregio Amsterdam.
De feiten

Aantal jongeren tussen de 0 en 18 jaar 310.000. Zij vormen ongeveer een kwart (23%) van de bevolking in de Stadsregio Amsterdam (1). Jaarlijks gaat er 100 miljoen euro om in de Bureaus Jeugdzorg en de geïndiceerde jeugdzorg. Het lokale jeugdbeleid is niet meegerekend, want dat is te versnipperd om hier inzicht in te krijgen. Specifiek voor pleegzorg is er negen miljoen euro beschikbaar. De NVP wordt gesubsidieerd voor € 16.500,-. Pleegzorg wordt in de stadsregio geboden door Spirit.
Naast pleegzorg verzorgt Spirit de opvang van kinderen en jongeren in leefgroepen (residentiële hulp) en biedt intensieve pedagogische thuishulp (IPT). Bij de instelling voor kinder- en jeugdpsychiatrie De Bascule is de TGV ondergebracht, de therapeutische gezinsverpleging oftewel behandelpleegzorg.
Ingewikkeld en veelzijdig

Dit keer geen werkbezoek. Wegens grote stroomstoringen in het openbaar vervoer is de Brigade in de mobiele telefoon geklommen.
Paul Nota is nu zeven jaar coördinator van de jeugdzorg in de stadsregio Amsterdam en sinds vijf jaar ook hoofd jeugdbeleid van de stad Amsterdam. Hij vergadert veel, want hij heeft te maken met veertien stadsdelen en vijftien gemeenten. De uitdaging van het werk zit voor Nota in het ingewikkelde en veel­zijdige. Hij is zowel bestuurlijk als organisatorisch aan het werk. Hij vindt het een leuke puzzel. Zijn ambitie is te zorgen dat de regio de beste jeugdzorg in Nederland levert.
Nota: “Hoever we staan? Ik ga me zelf geen rapportcijfer geven. Dat laat ik graag aan anderen over.”

Je hoeft Paul Nota niets te vragen over innovatieve projecten in de pleegzorg. Dat is niet zijn taak:
“We geven ruimte aan de professionals, wij ambtenaren bemoeien ons niet met de inhoud. Daar weten we ook niets van. Wij maken productieafspraken en prestatieafspraken. Die prestatieafspraken gaan over het verwerven van autonomie met hulp van de jeugdzorg. Dat wil zeggen dat mensen het na verloop van tijd weer kunnen redden zonder hulp. Of dit lukt, zien we aan de uitstroom. Daarnaast zijn doelrealisatie, de mate van voortijdige uitval en cliënttevredenheid belangrijke indicatoren voor kwaliteit. Het Inter Provinciaal Overleg (IPO) (2) wil deze afspraken nu landelijk invoeren. Wij doen het al een tijdje zo. Het maakt mij dan ook niet uit of jongeren geholpen worden met zang en dans, met het lezen van Tibetaanse mantra’s, een Eigen Kracht-conferentie of met pleegzorg. Als het maar werkt!

Zorg inkopen

Ieder jaar krijgen wij van Bureau Jeugdzorg een inkoopadvies over welke zorg wij moeten inkopen.
Zij weten welke vragen er zijn, want ouders komen bij hen met een hulpvraag terecht. Op grond van dat advies kopen wij zorg in. Zo is met Spirit afgesproken dat in 2007 3.402 kinderen voor de eerste keer zorg krijgen. Spirit kiest zelf welk type hulp deze kinderen krijgen.
Wat betreft pleegzorg heeft Spirit gekozen voor 797 pleegzorgplaatsen, onderverdeeld naar crisispleegzorg (13 plaatsen), vervolgcrisispleegzorg (16 plaatsen), weekend- en vakantiepleegzorg (15 plaatsen), de hulp­verleningsvariant (207 plaatsen) en de opvoedingsvariant (546 plaatsen). Mocht een instelling de gemaakte afspraken niet nakomen en geen goede kwaliteit leveren, dan kan de stadsregio zaken gaan doen met een andere instelling.

Ik voel helemaal niets voor de bekostigingssystematiek die nu landelijk wordt ingevoerd. Dit is een manier om prijskaartjes aan hulpverleningsvormen te hangen. Landelijk worden er richtprijzen vastgesteld. Op grond van deze richtprijzen kan de provincie onderhandelen over een aantrekkelijke prijs met de instelling die jeugdzorg biedt. Die systematiek is veel te specifiek. Ik wil me niet bemoeien met de inhoud van de zorg. Wat er precies door instellingen wordt gedaan is hun verantwoordelijkheid. Ze moeten mij alleen laten weten welk effect het heeft. Het effect, de mate waarin mensen na verloop van tijd weer zonder hulp verder kunnen, is een belangrijke graadmeter. We proberen de autonomie van mensen te versterken door de hulpverleningsduur te verkorten. Het centraal stellen van het herstel van autonomie als maatstaf voor kwaliteit geeft al aan dat dat niet altijd mogelijk is. Als het bij 75 tot 80% van de cliënten lukt om zonder hulpverlening verder te kunnen, dan is er dus 25% bij wie dit niet lukt. Je moet accepteren dat er altijd een percentage blijft dat hulp nodig blijft houden, maar dat is geen reden om de mensen die het wel zelf kunnen daar niet toe in staat te stellen.

Hetzelfde geldt voor de opvoedingsvariant van pleegzorg. Als kinderen jaren bij hun pleegouders wonen, moet je dat dan nog pleegzorg blijven noemen? Waarom deze mensen niet gewoon ‘kinderbijslag plus’ bieden als er geen hulpvraag meer is? De plus bij de kinderbijslag lijkt me redelijk als blijk van waardering voor het feit dat deze mensen een maatschappelijke verantwoordelijkheid op zich nemen. Je kunt je bij zo’n opvoedingsvariant ook afvragen of het gezag niet naar de verzorgers moet.

Betaalde pleegzorg?

Op dit moment speelt in Amsterdam de kwestie betaald pleegouderschap. Een bijstandsmoeder met drie pleegkinderen gaf aan dat ze deze zorg niet kan combineren met werk. Wethouder Ahmed Aboutaleb (o.a. jeugdzorg en onderwijs) heeft deze vrouw ontheven van de sollicitatieplicht. De wethouder heeft ons nu gevraagd na te denken over een constructie waarbij pleegouders betaald kunnen worden. Het blijft moeilijk om in de stad Amsterdam pleegouders te vinden. We hebben de actuele gegevens over wachttijden van het afgelopen jaar nog niet, maar wachttijden zijn er wel. Wie weet draagt betaald pleegouderschap bij aan het oplossen van dit probleem.
De NVP krijgt apart subsidie, omdat wij cliëntenparticipatie belangrijk vinden. Ze leveren een werkplan aan en we krijgen een jaarlijkse rapportage. Er zijn nog nooit redenen voor de NVP geweest om zich direct tot mij of het stadsregiobestuur te wenden. Als er klachten zijn, kunnen ze terecht bij de instellingen. Pas als dat niet goed gaat, kunnen ze bij mij terecht. Kennelijk gaat dat goed, anders had ik ze wel voor mijn neus zien staan.”

De stadsregio legt nadruk op het belang van autonomie en vult dit consequent in, zowel naar ouders en pleegouders toe, als in de relatie tussen de stadsregio en de instel­lingen. Daarnaast geeft de stadsregio richtlijnen voor eigentijds bestuur. •

(1) ‑De gemeenten Aalsmeer, Amstelveen, Amsterdam, Beemster, Diemen, Edam-Volendam, Haarlemmermeer, Landsmeer, Oostzaan, Ouder-Amstel, Purmerend, Uithoorn, Waterland, Wormerland, Zaanstad en Zeevang vormen samen de Stadsregio Amsterdam.
(2) ‑Samenwerkingsverband van de provincies en stads­regio’s dat ambtenaren in de gelegenheid stelt om ervaringen uit te wisselen, invloed uit te oefenen op en input te leveren voor landelijk beleid.

Wat vindt u van dit beleid?

Een acht waard omdat de instellingen eindelijk eens op resultaat worden afgerekend? Of een dikke onvoldoende omdat perspectiefbiedende pleegouders met een bonus ‘worden afgescheept’? Laat ons weten wat u vindt. Mail of schrijf ons, het adres staat in het colofon.


Tags: ,